De deeleconomie kent winnaars en verliezers

27 oktober 2016  /  Freek Liebrand

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Traditionele businessmodellen hebben het nakijken sinds de komst van peer-to-peer marktplaatsen als Airbnb en Peerby. Of het nu gaat om energie, zorg, voedsel of transport: in de energieke samenleving organiseren mensen zelf slimme en duurzame alternatieven, waarvan ze zelf eigenaar zijn. Langzaam maar zeker ontwaren de contouren van een nieuwe economie, die Jan Jonker de ‘WEconomy’ noemt. De deeleconomie is één van de verschijningsvormen daarvan. In het zesde RUIMTEVOLK College, gehouden op 13 oktober in het Utrechtse Kytopia, zoomden Jan Jonker (hoogleraar Duurzaam Ondernemen) en Koen Frenken (hoogleraar Innovatiestudies) in op deze ontwikkeling.

Van consumentisme naar burger-ondernemerschap

Van de participatiesamenleving moeten we het niet hebben, stelt Jan Jonker. Hij spreekt liever – in navolging van Maarten Hajer – over de energieke samenleving; de samenleving met veel competenties en mogelijkheden, die het vermogen heeft om dingen te veranderen. Om die kracht authentiek te benutten, moeten we buiten het beleidsmatige begrip van de participatiesamenleving denken. De energieke samenleving organiseert duurzame oplossingen dichtbij, met elkaar, waarbij ze zelf aan de knoppen staat om het verschil te kunnen maken.

Consumentisme maakt zo plaats voor burger-ondernemerschap. Dit vraagt om nieuwe samenwerkingen tussen bedrijven, burgers en overheid. Hiermee verlaten we het landschap waaruit we centralistisch organiseren en betreden we een wereld waarin partijen met elkaar netwerken vormen. Deze beweging noemt Jonker de weg naar de ‘WEconomy’; een economie waarin we voor elkaar en met elkaar waarde creëren. Initiatieven zien we bijvoorbeeld op gebied van voeding, zorg, energie en werk. De ongeveer 650 energiecoöperaties in Nederland laten zien dat deze beweging substantieel is, zelfs al zitten hier in termen van Jan Jonker veel ‘knuffelprojecten’ tussen.

ruimtevolk-college-6-klein-pimg0285-1

Jan Jonker neemt het publiek mee in zijn ideeën over de ‘WEconomy’.

‘WEconomy’ en de stad

Zes trends geven volgens Jonker samen vorm aan de ‘WEconomy’: grondstoffen worden telkens opnieuw gebruikt (circulaire economie), de consument koopt niet het product maar de functie (functionele economie), een verschuiving van fossiele grondstoffen naar biomassa (biobased economie), nieuwe manieren van samenwerken waarbij het aankomt op ruilen (samenwerkingseconomie), geen bezit maar delen (deeleconomie) en zelf produceren met behulp van 3D-printtechnologie (zelfmaakeconomie). Het fenomeen ‘Internet of Things’ – waarbij mensen, apparaten, processen en netwerken steeds meer verbonden raken – ziet hij als de mogelijke, grote game changer in het opschalen van deze zes trends.

De stad is volgens Jan Jonker een hele goede plek om met nieuwe businessmodellen te experimenteren. Want juist in steden is er een groot onderbenut potentieel aan assets. Marktplaatsen als Airbnb, Uber of Peerby weten dit onderbenutte potentieel aan producten en diensten beschikbaar te maken voor economische transactie. De hamvraag op weg naar de ‘WEconomy’ is welke nieuwe systemen hier succesvol werk van maken. Volgens Jonker zijn we pas net begonnen. “We knuffelen ermee, we snuffelen eraan”. Aan een grote transitie moeten we nog wel even werken. Hij is dan ook niet stuitend opgewekt, maar wel optimistisch.

Voorzichtig met de deeleconomie

‘Deeleconomieprofessor’ Koen Frenken gaat in op “wat we denken dat de effecten zullen zijn van de deeleconomie”. Dat klinkt weinig belovend, maar zijn lezing laat haarscherp zien wat wel en niet onder de deeleconomie geschaard kan worden en waarom die voorzichtigheid over de effecten ervan geboden is. Probleem nummer één in de deeleconomie is namelijk dat de data waarover de platformen beschikken niet wordt gedeeld met politiek en wetenschap. Daarom is een gefundeerd debat over de deeleconomie niet mogelijk.

Naast beschikbare gegevens ontbreekt ook een eenduidige en heldere definitie van de deeleconomie, waardoor discussies tussen voor- en tegenstanders niet zuiver gevoerd worden. Frenken definieert de deeleconomie als ‘consumenten die elkaar tijdelijk toegang geven tot hun onbenutte goederen’. Met deze definitie is het mogelijk de deeleconomie te onderscheiden van andere platformeconomieën. Stel je hebt een boor nodig. Dan kan je die via Peerby lenen of huren van je buurman (deeleconomie), kopen op Marktplaats (tweede handseconomie), huren van Bo-rent (product-dienst economie) of je kunt op Werkspot iemand huren die komt boren (op-afroep economie). Is Airbnb dan deeleconomie? Wel als iemand af en toe zijn ongebruikte huis verhuurt, niet als iemand een huis aanschaft om dat te gaan verhuren.

'Deeleconomieprofessor' Koen Frenken over de ongelijkheid die nieuwe stedelijke businessmodellen kunnen veroorzaken.

‘Deeleconomieprofessor’ Koen Frenken over de ongelijkheid die nieuwe stedelijke businessmodellen kunnen veroorzaken.

Deeleconomie duurzaam?

Is de deeleconomie een vorm van duurzame consumptie? Het lijkt het van wel, maar er zijn volgens Frenken naast positieve effecten toch flink wat kanttekeningen te plaatsen. Zo neemt de ongelijkheid erdoor toe. Dat zie je bijvoorbeeld bij huizenbezitters en huurders. Woningeigenaren zijn al de mensen met het meeste bezit en het hoogste inkomen; zij verdienen met Airbnb nog extra bij. Huurders mogen hun woning niet verhuren of besparen hoogstens wat geld op hun vakantie. De deeleconomie zorgt voor sociale cohesie – vreemden ontmoeten elkaar en er ontstaan nieuwe waardevolle relaties – maar is van nature ook discriminerend. Soort zoekt soort als het gaat om uitlenen en (ver)huren van een huis of spullen.

De deeleconomie verkleint volgens Frenken de nadelen van grote steden. Net als Jonker ziet ook hij dat de onderbenutte capaciteit van de stad slim wordt benut. Ook zorgen positieve recensies op platformen voor het creëren van vertrouwen tussen vreemden. Maar voor kleinere steden zal dit misschien niks gaan opleveren. Niet veel mensen willen in Lelystad een kamer huren en autodelen zal in Almere nooit een vlucht nemen. Positieve effecten zullen zich vooral in de dichtst en minst dichtbevolkte gebieden voordoen. De middelgrote steden zullen volgens Frenken het minst profiteren en misschien per saldo zelfs verliezen.

Op zoek naar de spelregels

De meeste innovaties volgen de route wetenschap – debat – overheid – beslissing – markt. Bij de deeleconomie is dat juist andersom. Bedrijven leveren de innovatie: een deelplatform. Het schaalt enorm op, omdat iedereen met een paar klikken zijn huis of auto kan verhuren. Vervolgens gaat de overheid onderhandelen met het bedrijf. Daarna volgt het publieke debat en de wetenschap bungelt daar nog achteraan. Dat zie je nu in de discussie rondom het effect van Airbnb in grote steden. We zijn nu pas aan het kijken wat er precies speelt, of we dat wel wenselijk vinden en wat we daar aan kunnen doen. Dat is volgens Frenken problematisch. Het is tijd om manieren te vinden om de deeleconomie goed vorm te geven door democratisch op zoek te gaan naar spelregels.

Foto’s: Het zesde RUIMTEVOLK-College Van bezit naar toegang (Pim Geerts, Beeldopbouw).

Circulaire stadDeeleconomieRUIMTEVOLK College

Freek Liebrand

Over de auteur

Freek Liebrand is stadsgeograaf en zelfstandig adviseur.



Ook interessant:

Terloopse contacten voor een veerkrachtige stad

Flip Krabbendam en Henriëtta Joosten

Het publiek domein als grote gelijkmaker

Anne Seghers en Sjors de Vries

De ambitieuze wijk van morgen

Chris ten Dam, Gerjan Streng, Maarten Hajer, Peter Pelzer en Thijs van Spaandonk