De (Omgevings)wet van Jane Jacobs

06 september 2016  /  Martin van der Maas

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Nederland denkt volop na over de ruimtelijke toekomst. Bijvoorbeeld via bijeenkomsten in de Werkplaats Nationale Omgevingsvisie, met koplopers van de energietransitie tijdens de Expeditie Energie en Ruimte op 10 november en met politici in het kader van Wij Maken Nederland op 12 september in Pakhuis de Zwijger. In deze discussies moeten we de ideeën van Jane Jacobs absoluut benutten.

Anti-ideologische planning

Wie niet alleen Jacobs’ beroemdste boek Death and Life of Great American Cities uit 1961 leest, maar ook haar boeken daarna, ontdekt dat zij met organische en evolutionaire blik naar de wereld keek. Historische patronen, van gisteren tot de oude Romeinen of zelfs daarvoor, voorspellen het beste de neigingen van de mens van morgen. En dan kun je daar in je planning maar beter rekening mee houden. Zij vond zichzelf daarom een anti-ideoloog. In een van haar interviews zei ze: “I’m not trying to say how things ought to be according to some kind of ideology, but how things actually are.” Anders gezegd: “Seeking truth from facts.” Dat levert inderdaad dwingend proza op, die een recensent eens bracht tot de woorden: “It’s hard to disagree with mrs. Jacobs.”

Niets ideologisch dus, maar haar sympathisanten worden toch vaak gezien als idealisten, als romantici met weinig oog voor de realiteit. Met die realiteit wordt natuurlijk de gangbare planning bedoeld, waarmee wij onze moderne steden nu eenmaal vormgeven. Maar ondertussen is die gangbare planning zelf idealistisch zonder dat we dat in de gaten hebben. Onze planningsidealen heten woonprogramma’s, detailhandelsbeleid, parkeernormen, kantorenparken enzovoorts. En de nieuwste natuurlijk: ‘smart cities’.

Onze gangbare planning (in technische en culturele zin) produceert al vele decennia steden en wijken die flink verschillen van die van voor de Eerste Wereldoorlog: ruimer, monofunctioneler, grootschaliger. Maar de evolutionair bepaalde voorkeuren van de mens zijn nauwelijks meeveranderd. En dus zien moderne stedenbouwkundigen met lede ogen aan dat die oude Negen Straatjes populairder blijken dan hun grote, glimmende geesteskinderen in de nieuwe wijken.

De Negen Straatjes voldoen aan de principes van Jane Jacobs (Foto: Taz/Flickr/CC BY 2.0)

De Negen Straatjes voldoen aan de principes van Jane Jacobs (Foto: Taz/CC BY 2.0)

Mainstream-planning

Jane Jacobs betoogde in 1981 in Hamburg dat grote plannen meestal ongewenst zijn, want saai (“big plans are the products of too few minds”), slechte grond voor innovatie, en inflexibel. Maar dat betekent niet dat ze grote plannen categorisch afwees. Voor zoiets als stadsstraten of metrolijnen zul je groot moeten denken. Jacobs wordt daarom vaak te eenzijdig uitgelegd als loslaten, als ruimte bieden aan hippe burgerinitiatieven. Het stedelijk frame moet wel degelijk collectief worden bepaald.

Barend Jansen becommentarieerde het onder de reflectie van het RUIMTEVOLK-College over Jane Jacobs op 17 mei 2016 (Josse de Voogd, 16 juni) treffend: “De stad teruggeven aan burgers betekent niet het ontwerp aan hen overlaten, maar hun behoeften als uitgangspunt nemen voor het ontwerp. En dan bedoel ik de sociaal-psychologische basisbehoeften die elk mens heeft ten opzichte van zijn omgeving: sociale veiligheid, aanpasbaarheid/controle, identiteit, afwisseling, leesbaarheid en sociale interactie. De menselijke maat komt uit die behoeften voort. Niet gemakzucht, ongeduld en angst, de principes waarop de huidige stedenbouw is gebaseerd.”

Ongemakkelijke woorden voor een samenleving die weinig anders kent dan de huidige stedenbouw. Herman Hertzberger legde zich er tijdens het betreffende college wat al te gemakkelijk bij neer, toen hij betoogde dat de ideeën van Jacobs hooguit als ‘smokkelwaar’ de mainstream-planning kunnen worden binnengebracht. Mainstream-planning als granieten maat der dingen, vooral leidend tot Vinexwijken en kantorenblokken omringd door gras dat hooguit wordt gebruikt door verdwaalde konijnen. Baksels die nog steeds maar weinig harten raken, waar geen stedentrip naartoe gaat en waar vaak smalend over wordt gesproken op verjaardagsfeestjes. Of zoals Jan Gehl in dit stuk betoogt: “Een boek over geweldige nieuwe steden in de 21e eeuw zou het dunste boek zijn dat je ooit hebt gezien.”

Binnenstedelijk doen we het beter, maar ook daar trekt gangbare planning zich nog te weinig aan van Jacobs-achtige inzichten. Neem Overhoeks in Amsterdam-Noord. Herman Hertzberger daarover: “Eenzame gebouwen in een groen, groen knollenland”. De ontwikkelaar zal zeggen dat er nu eenmaal vraag is naar rustig wonen vlakbij de centrale stad. Ja, allicht. Op zo’n plek is het moeilijker om iets te verzinnen waar géén vraag naar is. Maar in stadsplanning is de som van individuele behoeften niet per se hetzelfde als de collectieve behoefte. Overhoeks parasiteert op de stad. Als het in Almere was gebouwd, dan was het in de makelaarsfolders het zoveelste niemendalletje geweest.

(Foto: Robert Cutts/ CC BY 2.0)

Overhoeks, volgens Herman Hertzberger “eenzame gebouwen in een groen, groen knollenland”. (Foto: Robert Cutts/ CC BY 2.0)

Te saaie nieuwe steden, verpretparkte oude steden

Overhoeks profiteert van de stad, maar vormt het niet zelf. Dat lijkt een ideologisch detail waar niemand schade van ondervindt, maar de indirecte slachtoffers van Overhoeks-achtige ontwikkelingen zijn talrijk. Want als zelfs de geografisch kansrijke plekken om echte stedelijkheid toe te voegen worden verspild aan suburbane gemaksbouw, dan raakt ruimtelijk Nederland steeds meer uit balans: schaars blijvende, dure steden met miljonairs en toeristen, uitdijend suburbia volgepakt met velen die liever anders hadden gewoond en hun vertier dan maar als dagjesmensen in die goede oude steden zoeken. Een dubbele mislukking: te saaie nieuwe steden, verpretparkte oude steden.

Rond de jaren zestig verordonneerde de gangbare planning dat stedelijkheid werd gesloopt. Gelukkig waren protesterende bewoners toen wijzer. Nu verordonneert de gangbare planning dat stedelijkheid wordt behouden. We zien tegenwoordig de grote waarde van onze centrale steden, niet alleen in monumentale zin, maar ook als biotoop voor springlevende moderne gemeenschappen. Dat is een belangrijke stap. Nu wordt de volgende stap belangrijk: van behoud naar uitbreiding. Van het krampachtig conserveren van oud stedelijk weefsel naar de verwezenlijking van nieuw weefsel dat voldoet aan diezelfde succesvolle criteria. En laten we dit niet verwarren met historiserend bouwen; het gaat niet om de geveltjes, maar om het stedelijk organisme zoals Jane Jacobs dat bedoelt.

Zij wijst ons de weg naar geweldige ideeën die meer ruimte vereisen dan dit blog: kleinere spelers, plintstrategieën, sturen op omgevingseffecten in plaats van op functie, andere normen, een andere rol voor de gemeente en andere overheidspartijen. Recente ontwikkelingen zoals de in aantocht zijnde Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de bijna vastgestelde Omgevingswet bieden welkome aanknopingspunten om Jacobs’ gedachtegoed te benutten. Wie denkt mee?

Foto boven: De Mariaplaats in Utrecht (Fiona Cambell/ CC BY-ND 2.0)

Jane JacobsOmgevingswetPlanvorming

Martin van der Maas Planoloog en wijkmanager

Over de auteur

Martin van der Maas is planoloog, nu werkzaam als wijkmanager bij de gemeente Den Helder. Binnenkort start hij als planoloog bij de Dienst Ruimte en Duurzaamheid van de Gemeente Amsterdam, Voorheen was hij werkzaam bij de provincie Gelderland en bij Rooilijn, vaktijdschrift voor de planologie. Fascinaties: de systeemwereld jegens de leefwereld, organische wijkontwikkeling, Jane Jacobs



Ook interessant:

Ruimte voor de toekomst van werk

Freek Liebrand

Grenzen verleggen in Oosterwold

Judith Lekkerkerker

Publieke welvaart

Simon Franke en Wouter Veldhuis