Dé opgave voor de nieuwe Rijksbouwmeester is terugbouw

26 maart 2015  /  Maurice Hermans

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

“Nederland is uitgebouwd”, zo stelde ex-Rijksbouwmeester Frits van Dongen in september 2013. Zoals Nederland nu is gebouwd, daar moeten we het mee doen. Dat is interessant, want interventies in de gebouwde omgeving waren altijd dé manier om vorm te geven aan nieuwe ontwikkelingen. ‘Uitgebouwd zijn’ vraagt om een heel andere blik op de gebouwde omgeving.

Volgens van Dongen wordt het de hoogste tijd een sprong te maken naar een andere bouwcultuur, waarbij leegstand aangewend moet worden voor stadslandbouw en andere vormen van herbestemming. Waar nieuwe functies worden toegevoegd aan de bestaande gebouwde omgeving. De mismatch tussen vraag en aanbod, de jarenlange speculatieve ontwikkeling van vastgoed in Nederland maakte dat de Rijksbouwmeester pleitte voor een andere wijze van ontwikkelen. Niet langer kon Nederland het zich veroorloven door te gaan zoals het had gedaan.

(Niet-)groei

Ooit (1806) werd het instituut Rijksbouwmeester in het leven geroepen als ‘leidinggevend ontwerper van rijksgebouwen’. Tegenwoordig adviseert de Rijksbouwmeester de regering over architecten voor rijksgebouwen, herbestemming van af te stoten panden en architectuurbeleid. Bezien vanuit deze positie deed van Dongen een moedige uitspraak. Terecht constateert hij dat “gezien de verwachte demografische ontwikkelingen de mismatch tussen vraag en aanbod alleen nog maar groter zal worden”. Wijzend op de 17 procent leegstand van kantoren, 190.000 langdurig leegstaande woningen en 7,5 procent winkelleegstand in Nederland. Om te concluderen dat “Nederland gewend is om te gaan met groei en niet met stagnatie. We weten totaal niet wat daar de gevolgen van zijn”.

Die laatste uitspraak treft de spijker op zijn kop. De realiteit is dat minder Nederland groeit. Het Nederland van de toekomst laat zich misschien wel goed omschrijven als oases of growth in a sea of shrinkage. Groei in Nederland trekt zich terug naar een kleiner wordend gebied, de Randstad. Jonge mensen trekken van de periferie naar de stad en blijven daar om gezinnen te stichten. Dat terwijl het ooit juist gezinnen waren die de drukke, vervuilde stad ontvluchtten op zoek naar huisje-boompje-beestje in suburbia. In de 21e eeuw trekt groei nieuwe groei aan, zeker als dat ondersteund wordt door ‘Pieken in de Delta‘-achtig beleid. De tweedeling tussen Randstad en Randland neemt dientengevolge toe, met alle gevolgen van dien.

Herbestemming is in een context van groei goed werkbaar. Met een toename van de bevolking groeit de behoefte aan ruimte en nieuwe functies. Als alternatief voor nieuwbouw kun je kantoren ombouwen tot woningen en leegstaande kantoren transformeren tot plekken voor stadslandbouw.

De paradox van niet-groei is echter dat het groei in zich herbergt. Immers met de afname van mensen groeit de leegstand, het groen en de ruimte. Dat wat bij groei schaars is, is bij krimp in overvloed aanwezig. Er is sprake van een nieuwe verhouding tussen schaarste en surplus. In een context waar gebruikers schaarser worden en leegstand toeneemt is herbestemming nauwelijks een oplossing. De uitspraken van Van Dongen zijn dan ook primair gericht op groeiregio’s in Nederland. Immers regio’s zonder groei zijn de facto uitgebouwd.

Terugbouw

Deze nieuwe realiteit vraagt een cultuur van terugbouw. Gezocht zal moeten worden naar handelingsperspectieven voor een gelijktijdige omgang met groei en niet-groei, surplus en schaarste, opbouw en terugbouw. Hoe bouwen we de stad kleiner, voor minder mensen? Hoe ontwikkelen we methoden en mechanismen die het kleinergroeien van steden op duurzame wijze vormgeven? Welke kennis hebben we nodig om de terugbouw van grote delen van Nederland organisch te laten verlopen? Eén ding staat vast, planningsprincipes van groei zijn niet langer van toepassing in een context van niet-groei. Einstein zei het al in 1929: “Die Probleme, die es in der Welt gibt, sind nicht mit den gleichen Denkweisen zu lösen, die sie erzeugt haben”.

Terugbouw is daarmee niet louter een opgave van de hardware. Natuurlijk, er zal verstandig gesloopt moeten worden maar het gaat veel verder. In Duitsland noemen ze het ‘Gesundschrumpfen’. Wat te doen met het surplus aan ruimte, groei en fysieke infra? Denk niet alleen aan bovengrondse infra, ook aan ondergrondse. Want als substantieel mensen minder gebruik maken van voorzieningen als water, verwarming, telefoon enzovoort, weten we dan wel zeker dat deze voorzieningen naar behoren blijven functioneren? Met minder mensen wordt de afstand groter – de dichtheid neemt af – hoe organiseren we in deze realiteit voorzieningen als onderwijs, zorg en mobiliteit? En dat in een tijd dat de welvaartsstaat verder onttakeld wordt en de rol van de overheid kleiner wordt.

Het betekent dat regio’s zonder groei meer zelfvoorzienend moeten worden op het vlak van energie-, voedsel- en watervoorziening. Maatschappelijke structuren moeten opnieuw geconfigureerd worden. Verenigingsleven, buurthuizen, scholen en andere voorzieningen staan onder druk en moeten verstandig worden teruggebouwd. Kortom, er is behoefte aan een integrale aanpak waarin de toekomst van de (kleinere) stad vanuit verschillende perspectieven wordt vormgegeven.

Innovatiegebieden voor de toekomst

Voordat we inzicht kunnen ontwikkelen in principes van terugbouw dienen we te accepteren dat niet-groei structureel deel uitmaakt van het Nederland van de toekomst. It’s here to stay! Zolang het streven naar kwantitatieve groei centraal staat, blijft niet-groei iets negatiefs (zoals in de term ‘stagnatie’ of ‘krimp’ besloten zit).

De huidige krimpregio’s zijn de living-labs die real-time handelingsperspectieven onderzoeken voor de omgang met minder. Het zijn de pioniers van het kleinergroeien! Planningsprincipes voor een context van minder worden daar uitgevonden en getest. Door deze regio’s als probleemregio’s te bezien wordt voorbijgegaan aan de waardevolle inzichten die daar worden ontwikkeld. Voor een land dat minder groeit is kennis over terugbouw geen overbodige luxe.

De opgave voor de nieuwe Rijksbouwmeester is terugbouw.

Foto: Design for Emptiness 2010 (foto: Design for Emptiness)

herbestemmingKrimpleegstandStedenbouw

Maurice Hermans Directeur van Betawerk

Over de auteur

Maurice Hermans is directeur van Betawerk en als onderzoeker verbonden aan NEIMED. Hij werkt momenteel aan de publicatie Antistad die naar verwachting eind 2015 verschijnt.



Ook interessant:

Publieke welvaart

Simon Franke en Wouter Veldhuis

De stad heeft altijd vernieuwing nodig

Anita Blom

Nieuw Zicht op Leiden

Daphne Koenders