Klassenstrijd of interactiestad

25 november 2014  /  Errik Buursink

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Critici van gentrification hebben meestal weinig op met de gedachte dat stedenbouw en architectuur mede het succes van steden bepalen. Echter, ontkennen dat steden iets unieks te bieden hebben, dat de stadsvorm ertoe doet, vergroot het probleem alleen maar. Ruimtelijk determinisme verdient een academische herwaardering. Vooral onder kritische sociale wetenschappers.

In discussies over de veranderende demografie van steden en de invloed van de stadsvorm op het succes van steden valt iets op. Pleitbezorgers van gentrification zijn haast zonder uitzondering volgers van Jane Jacobs, terwijl zich onder de critici opvallend veel bewonderaars van modernistische stedenbouw bevinden. Onenigheid over de goede stadsvorm is op interessante wijze verweven met het academische discours over de maatschappelijke effecten van de stedelijke renaissance. Dat kan geen toeval zijn en vraagt om een verklaring. Grofweg zijn er twee lezingen betreffende de trek van hoger opgeleiden en creatieven naar stadscentra. En welke je aanhangt, bepaalt kennelijk welk type stad je bewondert. En ook of je denkt dat de stadsvorm er überhaupt toe doet.

Kip en ei
De academische discussie over de trek van hoger opgeleiden en ‘creatieven’ naar de stad heeft soms wat weg van een een kip-ei-verhaal. Wordt het proces nu veroorzaakt door een autonome vraag naar stedelijk woon- en leefvoorkeur van hoger opgeleiden en ‘creatieven’, of wordt die vraag gecreëerd door op winst beluste investeerders? Is het een vraag-gedreven proces, of een aanbod-gedreven proces? De aanbodverklaring staat bekend als de rent gap theorie. Deze is marxistisch van origine en vormt de basis van de huidige ‘kritische’ stadsstudies. Aanhangers wijzen fysiek determinisme resoluut van de hand. In hun ogen is gentrification niets minder dan klassenstrijd op buurtniveau, waarbij zonder ingrijpen de arbeidersklasse door een legioenen baardige hipsters en hedge fund-managers van haar woonomgeving beroofd wordt. Het is een ontwikkeling die bestreden moet te worden.

Ikzelf ben meer geporteerd van de vraagtheorie. Deze is de laatste jaren verrijkt met kwantitatief onderzoek naar het functioneren van de stedelijke economie en steden in het algemeen. Vooral de recente publicatie van West en Bettencourt over het metabolisme van steden biedt nieuwe inzichten. Daardoor is het ruimtelijk determinisme van o.a. Jacobs van een nieuwe, krachtige onderbouwing voorzien. Stadsvorm doet er toe en dan vooral de mate waarin die stadsvorm een divers en intensief publiek leven mogelijk maakt. Publiek leven dat maar één hoofddoel heeft: interactie. Dit sluit naadloos aan op onderzoek dat bewijst dat er onder creatieven en hoger opgeleiden vooral vraag is naar levendige stedelijke interactiemilieus. Misschien kan er daarom beter gesproken worden van een nieuwe ‘interactiestadtheorie’.

Interactiemilieus
Maar wat zit er achter die vraag naar interactiemilieus? Kunstenaars en intellectuelen worden altijd al aangetrokken door levendige stedelijke interactiemilieus. Zij kunnen economisch en sociaal niet functioneren zonder intensieve uitwisseling van hun ideeën en kennis. Ook nu komen deze mensen in eerste plaats af op de mogelijkheden tot uitwisselen van kennis en ideeën in de directe leef- en werkomgeving. Dat verklaart de veel minder sterke trek van kunstenaars en intellectuelen naar goedkope stadswijken die deze mogelijkheden niet of slechts in beperkte mate bieden. In Amsterdam heeft dat geleid tot de opvallende demografische en sociaaleconomische verschillen tussen binnen en buiten de ring. De naoorlogse stad en naoorlogse reconstructies, gekenmerkt door een veel minder gevarieerde en drukke publieke ruimte, trekken slechts heel mondjesmaat hoger opgeleiden en creatieven.

De vraag waarom dit verschil in aantrekkelijkheid binnen steden bestaat vormt een belangrijke kritiek op de marxistische aanbodverklaring voor de trek van mensen met een hoger inkomen naar binnenstadsbuurten. Zeker als ongewilde buurten wel voldoen aan de ruimtelijke en economische randvoorwaarden die de rent gap theorie beschrijft: relatief centraal gelegen en goedkoop. Het is de misschien wel de belangrijkste reden waarom kritische stadsonderzoekers de gedachte verwerpen dat fysieke kenmerken van buurten van doorslaggevend belang zijn voor hun aantrekkelijkheid. Dat de life style van hoger opgeleiden en creatieven, van slow drip koffiebars tot street food festivals, en de sociale en economische voordelen die nabijheid tot interactiemilieus biedt, voor een groot deel niet zouden bestaan zonder die fysieke kenmerken.

Kiezen voor de stad
Zonder traditioneel stedelijke interactiemilieus zou er helemaal geen trek van hoger opgeleiden en creatieven naar de stad zijn. Ze zouden net als iedereen in flats in het groen wonen of in rijtjeshuizen. In geïsoleerde communes wellicht. Zonder de vele voordelen van concentratie in een sociaal diverse omgeving die noodt tot uitwisselen van kennis en ideeën. Zonder de schaalvoordelen en agglomeratie-effecten, die zo belangrijk zijn voor de ontwikkeling van onze kenniseconomie. De trek naar de stad is geen uitwas van een corrupt kapitalistisch systeem, met als doel steden in vastgoedgeldmachines te veranderen. Er is geen sprake van een internationale klassenstrijd, met de buurt als nieuw slagveld. Er zijn alleen maar individuen die hun kansen op persoonlijk succes willen vergroten. En daarmee de hele economie een enorme dienst bewijzen. Daarom is het ook zo onzinnig om tegen de trek van mensen en bedrijven naar de stad te zijn. Mensen kiezen bewust voor de stad. De stad van drukke straten, pleinen en parken. We kunnen ze niet dwingen voor Almere te kiezen. Het is hier immers geen Noord-Korea.

Het vraagstuk van de aanhoudende trek van hoger opgeleiden en creatieven naar grote steden is op interessante wijze verweven met door geografen en stadsonderzoekers geformuleerde kritiek op moderne stadsvormen. Deze kritiek stelt dat de modernistische tuinsteden en veel suburbs sociaaleconomisch mislukken omdat ze de voor steden kenmerkende dynamische en levendige publieke ruimte ontberen. Dat dit feit het directe gevolg is van de fysieke eigenschappen van deze wijken, van hun relatieve ligging, van de structuur van openbare ruimten en de bebouwing, en de relatie hiertussen. Deze kritiek is intussen een onlosmakelijk onderdeel van het discours over de stedelijke renaissance. Ze wordt door marxistische onderzoekers, deels terecht, opgevat als een revanchistische afrekening met het programma van overheid gestuurde volkshuisvesting.

Kwalitatieve en kwantitatieve opgave
Dat is jammer, want welke verklaring je ook verkiest, de interactiestadtheorie of de rent gap theorie, feit is dat aantrekkelijke steden duurder worden. Te duur voor velen. En niet alleen voor de lager opgeleiden en kunstenaars. Ook steeds meer hoger opgeleide professionals kunnen niet langer terecht in het type wijk waar ze graag zouden willen wonen. Of zelfs móéten wonen om economisch en sociaal goed te functioneren. Wie de marxistische verklaring verwerpt en erkent dat steeds meer mensen de stad simpelweg nodig hebben, kan alleen maar tot de conclusie komen dat er een opgave ligt het zoveel mogelijk mensen mogelijk te maken te profiteren van de kansen op interactie die steden bieden. Aanvaarden dat de stadsvorm er toe doet is erkennen dat er vooral een opgave ligt om de scheve verhouding tussen vraag en aanbod recht te trekken. Om meer woningen te bouwen in en nabij stedelijke interactiemilieus. Of zoals Geoffrey West en Luis Bettencourt het stellen: de persoonlijke connectiviteit in steden moet maximaal zijn. Stedenbouw, (vervoers-)planologie en volkshuisvesting moeten daarin samen optrekken.

En dan komt de rent gap theorie weer om de hoek kijken. Het klopt namelijk dat lage woningwaarden in veel binnenstadsbuurten de komst van kunstenaars en intellectuelen mogelijk maakten. En de gestegen huizenprijzen maken het juist voor hen nu lastig toegang te krijgen tot diezelfde buurten. Ook is het zeker zo dat investeerders heel snel in de smiezen hebben wanneer buurten marktpotentie verkrijgen. En kritische wetenschappers wijzen terecht op het proces van ruimtelijke uitsortering naar inkomen en opleidingsniveau dat in veel steden gaande is.

Om de stad voor iedereen die er moet zijn toegankelijk te houden, is een vorm van overheidsingrijpen in de markt onvermijdelijk. Het is de enige manier om wonen in aantrekkelijke steden betaalbaar te maken. Daarbij zal blijvend voldoende aanbod in de sociale huursector gepaard moeten gaan met een zeer sterke toename in het segment ‘betaalbare huur’, tussen de 700 en 1200 euro. Dat betekent directe overheidsinvesteringen in volkshuisvesting en indirecte sponsoring door het hanteren van lagere grondprijzen.

De wijze waarop het vergroten van het aanbod aan woningen gestalte krijgt, dient in lijn te zijn met inmiddels lang en breed bekende theorieën over stedelijke geografie. Dat lijkt evident. Maar voor de zekerheid: nabij bestaande interactiemilieus; verbonden met de omliggende stad dankzij een fijnmazig netwerk van straten en pleinen waarlangs zich publieke functies vestigen; met voldoende dichtheid aan wonen en werken; in een aantrekkelijke, adaptieve architectuur opgetrokken; met een goede afwisseling tussen druk en rustig. Ongeveer zoals Oud-West in Amsterdam inderdaad. Maar ook zoals Le Marais, Het Oude Westen, Brixton, Kreuzberg, Klarendal, Harlem, Nørrebro, La Barceloneta en de French Concession.

Wie weigert te erkennen dat de stadsvorm een belangrijke factor is in de trek van hoger opgeleiden en creatieven naar de grote steden, is mede schuldig aan de zo gevreesde sociale zuivering van de stad. De vraag naar levendige, stedelijke interactiemilieus zal namelijk alleen nog maar toenemen. Als we aan die vraag niet tegemoet komen is verdringing van economisch zwakkere groepen onvermijdelijk. Ruimtelijke segregatie en uitsluiting zal dan het nieuwe normaal zijn. Zelfs in onze Volkshuisvestingsmekka’s.

 

Foto boven: Ed Buijs

AmsterdamGentrificationStedelijkheidWoningmarkt

Errik Buursink Senior planoloog, Gemeente Amsterdam

Over de auteur

Errik Buursink werkt als planoloog bij Ruimte en Duurzaamheid van de Gemeente Amsterdam.



Ook interessant:

Werklandschappen als speeltuin van de toekomst

Ana Luisa Moura

Verdichting vraagt om verrijkende participatie

Karin de Nijs, Marie Morel, Sandra Bos en Stan Majoor

Stel de energieopgave centraal in omgevingsbeleid

Jeroen Niemans