Wetenschap moet de straat op

17 september 2014  /  Hans Peter Benschop

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Het Sociaal Cultureel Planbureau sombert: veel gemeenten hebben onvoldoende kennis om het gedecentraliseerde sociale beleid uit te voeren. De menigte waarschuwers groeit met de dag. Vreemd is dat niemand met concrete oplossingen komt. Terwijl er één zo voor hand ligt: zorg dan dat die kennis er wel is. De kennisinfrastructuur van de Nederlandse overheid is hopeloos verouderd. Men doet Haags onderzoek naar gedecentraliseerde maatschappelijke problemen. Dat schuurt, en dat geldt niet alleen in het sociale beleid, maar ook voor ruimtelijke en economische vraagstukken. Het beleidsonderzoek van de overheid moet op de schop. Er zijn daarbij in Nederland enkele veelbelovende initiatieven die de toekomst tonen.

Hoe maak je goed economisch beleid? Die vraag was, kort gezegd, de reden om in 1945 het Centraal Planbureau (CPB) op te richten. In de loop van de jaren volgden andere planbureaus, zoals het SCP voor het sociale domein en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voor de ruimtelijke ordening. Daarnaast cirkelen er adviesraden rond de regering, zoals de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB), of de Raad voor Leefomgeving en Infrastructuur (RLI). En tot slotte zijn er de gespecialiseerde kennisinstituten, zowel binnen departementen (zoals het Kennisinstituut voor Mobiliteit) als daarbuiten (zoals het Rathenau-instituut).

De jaren na de oorlog waren de hoogtijdagen van de maakbare samenleving. Het land lag in puin. ‘Den Haag’ wist hoe de toekomst er uit zou moeten zien, en onderzoeksinstellingen leverden het antwoord op de vraag hoe we die visies konden realiseren. Kennis werd een basisingrediënt van beleidsnota´s. We leven inmiddels in een andere wereld. De samenleving wordt niet meer aangestuurd door een hiërarchische overheid, maar door netwerken van actoren. Complexiteit is het kernwoord. Den Haag heeft niet alleen macht verloren aan Brussel en aan lagere overheden, maar laat bovendien meer over aan de markt en burgers: inderdaad, de participatiesamenleving. Een benaming als ‘Planbureau’ is een anachronisme. De bureaus rapporteren aan mensen die niets plannen en daar ook de macht niet voor hebben.

De kennisinfrastructuur van de overheid moet zich aan deze nieuwe situatie aanpassen. Het gaat om veel meer dan alleen een decentralisatie. Ik pleit niet voor lokale of regionale planbureautjes. Dat is inefficiënt. Bovendien doet dat geen recht aan de manier waarop kennis ontwikkeld zou moeten worden in een complexe samenleving. Die heeft behoefte aan meer direct contact tussen wetenschappers, politici, bedrijven en burgers. Dit contact heeft het karakter van tweerichtingsverkeer. Wetenschappers leggen hun bevindingen uit aan leken. Andersom wordt wetenschap ook verrijkt door de ervaringen uit de dagelijkse leefwereld. Neem bijvoorbeeld de recente dorpenmonitor van het SCP. Daarin staat dat dorpelingen hun buren vaak niet meer helpen dan stedelingen. Dat is een belangrijke conclusie, want hij druist in tegen vooroordelen en betekent iets voor de decentralisatie van de zorg: wees niet te optimistisch over de zorg binnen dorpen. In direct contact met de dorpelingen kan de wetenschapper zijn bevinding uitleggen en misschien tips geven. Maar in diezelfde discussie zullen dorpelingen hun ervaringen geven over de eigenaardigheden van hun gemeenschap (bijvoorbeeld familierelaties, culturele gebruiken, economische verbanden) die andersom ook de algemene en vaak abstracte wetenschappelijke bevindingen verrijken en nuanceren. Veel dorpelingen herkennen zich terecht niet in de conclusie van het SCP.

Direct contact tussen bewoners, wetenschappers en politici verbetert de kwaliteit van waarheidsvinding en besluitvorming, maar bovenal zorgt het voor meer vertrouwen. Het onderzoek naar de effecten van Groningse gaswinning is een stuitend voorbeeld hoe wetenschappers – zelfs als zij ter goede trouw waren – stelselmatig de dagelijkse leefwereld genegeerd hebben. De schaliegasdiscussie gaat dezelfde kant op. Er is een kloof tussen wetenschap en besluitvormers enerzijds, en de wereld van alledag in Nederland. De Haagse advieskringen lijken soms zelfs op een sociëteit van negentiende eeuwse notabelen. Bij de discussie over het recente WRR rapport over ongelijkheid in de Balie werd geconstateerd dat alleen hogere inkomens aanwezig waren. Daar werd om gelachen. Tsja. Je kan er ook bezorgd over zijn.

Instituten als het SCP, het PBL, het RLI en de WRR hebben een grote bereidheid om kennis te delen. Dat is goed. Maar het gaat om meer dan dat. De onderzoekers moeten na, maar ook tijdens het onderzoek de straat op. Elke burger, elk raadslid zou moeten kunnen meediscussieren over rapporten als de dorpenmonitor van het SCP, de natuurverkenningen van het PBL of een rapport als ´Naar een lerende economie´ van de WRR. Ten eerste omdat die rapporten ook het lokale en regionale beleid raken, en die ook daar geïnformeerde besluiten vragen. Maar ten tweede – en minsten zo belangrijk – omdat die discussies ook de landelijke kennisinstituten verrijken. Alleen op die manier zien zij welke effecten hun algemene kennis heeft in de concrete wereld. Welke verschijnselen zij wellicht niet of onvoldoende voorzien hadden. Hoe machtsverhoudingen – ook die zijn er altijd – verschuiven door nieuwe kennis.

Is zo’n idee van netwerkende wetenschappers nieuw? Nee: met varianten ervan worden al op meerdere plekken in Nederland geëxperimenteerd. De provincie Overijssel heeft het initiatief genomen voor het Trendbureau Overijssel: een lichte organisatie die zorg draagt voor netwerken waarin burgers, bedrijven, beleidsambtenaren, wetenschappers en bestuurders elkaar treffen. In Noord Brabant is recent Brabantkennis gestart op vergelijkbare manier. Op rijksniveau is er Platform 31 dat met een netwerk van wetenschappers en ´stadmakers´ een Agenda Stad maakt. Maar ook nieuwe verbindende platforms als Foodlog en – inderdaad – RUIMTEVOLK zijn prachtige voorbeelden.

De komende jaren staat er veel te gebeuren in de steden en dorpen van ons land. We kunnen bezorgd zijn over het kennisniveau van de bestuurders en raadsleden die daar besluiten over nemen. Maar we kunnen er ook gewoon wat aan doen. Dat kan alleen door veel meer contact te organiseren tussen wetenschap, burger en politiek.

Foto boven: De ziel van Utrecht – De wijsheid voor het oprapen (Bron: Sebastiaan ter Burg, CC CC BY-SA 2.0)

Deze column is eerder in verkorte versie verschenen in Binnenlands Bestuur.

Creatieve stadnieuw kapitaalPBLpolitiekSCPWetenschapWRR

Hans Peter Benschop Directeur Trendbureau Overijssel

Over de auteur

Hans Peter Benschop leidt het Trendbureau Overijssel, een onafhankelijk bureau dat toekomstverkenningen maakt voor de (politieke) besluitvorming.



Ook interessant:

De ambitieuze wijk van morgen

Chris ten Dam, Gerjan Streng, Maarten Hajer, Peter Pelzer en Thijs van Spaandonk

De ontluikende kracht van middelgroot

Anne Seghers

Een fundament voor het verhaal van morgen

Jeroen Niemans