Staak de zoektocht naar Nieuw Kapitaal

14 november 2013  /  Niek Mouter

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Met verbazing las ik dat ‘zoektocht naar Nieuw Kapitaal’ het onderwerp van het RUIMTEVOLK innovatiefestival voor ruimtelijke vraagstukken is. Waarom was ik verbaasd? Omdat ik het totaal onzinnig vind om op zoek te gaan naar kapitaal voor redelijk goede plannen, slechte plannen en waardeloze plannen. Voordat men op zoek gaat naar kapitaal, moet zeer kritisch worden gekeken of er wel sprake is van een goed project.

Voordat u begint met het lezen van deze blog wil ik eerst mijn handicap opbiechten. Ik ben econoom. Mijn beperking is dat ik vanuit een ander startpunt discussieer dan specialisten (zoals ruimtelijke ordenaars). Heel stereotype vindt een ruimtelijk ordenaar een gebiedsontwikkelingsproject al snel een zeer goed plan, waarna hij wil praten over de zoektocht naar financiering voor dit idee. Als econoom verpest ik dan al snel de sfeer door vragen te stellen als: ‘moet je zoeken naar financiering voor een gebiedsontwikkelingsproject van 10 miljoen euro in de wetenschap dat deze miljoenen mogelijk worden wegbezuinigd bij het onderwijs, met als gevolg dat honderden mensen hun baan verliezen?’

Ik stel voor om een stap terug te doen. Niet eerst brainstormen over de zoektocht naar Nieuw Kapitaal, maar eerst kritisch reflecteren op gebiedsontwikkelingsprojecten. De voordelen van deze stap terug mogen niet worden onderschat. Ten eerste neemt de kans af dat projecten, waarbij je op je vingers kunt natellen dat zij zullen falen, tóch doorgaan. Ten tweede kan men mogelijke kritiek ter harte nemen en projecten verbeteren. Het doel van de kritische reflectie moet zijn dat de goede projecten overblijven en bovendien ook nog eens worden verbeterd. Daarna kan dan de zoektocht naar kapitaal worden opgestart.

Banenjacht
De arbeidsmarkt zag er voor jongeren vijf jaar geleden heel anders uit. Recruiters benaderden studenten al in de collegebanken. Hoe anders is het tegenwoordig? Als afgestudeerde jongere krijg je te horen dat er 100 andere getalenteerde mensen op de functie hebben gesolliciteerd. Vervolgens moet je een soort politieverhoor doorstaan, en dan maar hopen dat je de baan krijgt. Een deel van de jongeren raakt ontmoedigd en laat zijn ambities varen. Een groter deel vermant zich echter en investeert in zichzelf, waardoor de kans om het politieverhoor te doorstaan groter wordt.

De ruimtelijke ordening zit in hetzelfde schuitje. Vijf jaar geleden hoorde je er als regio niet bij als je geen gebiedsontwikkelingsproject in je portfolio had dat niet aan de volgende kenmerken voldeed
1) Er moest sprake zijn van een aanzienlijke stedenbouwkundige ambitie;
2) Het idee moest zijn bedacht door een goedbetaalde Spaanse stedenbouwkundige;
3) Er moest sprake zijn van een groot exploitatietekort.
Het exploitatietekort was geen enkel probleem. Het opnemen van woorden als ‘kenniswerkers’ en ‘verbetering van het vestigingsklimaat’ in het plan was een garantie voor binnenstromende subsidies.

Hoe anders is het tegenwoordig! Als je vandaag de dag geld vraagt voor een gebiedsontwikkelingsproject, wordt er ineens gevraagd naar de meerwaarde van het project. Sterker nog, je moet de meerwaarde ‘aantonen’ in een Maatschappelijke Kosten- en Batenanalyse (MKBA). Een instrument dat blind is voor ‘zichtlijnen’, ‘regionale identiteit’ en ‘ruimtelijke veerkracht’. De MKBA is niet zelden negatief, met als gevolg dat subsidie uitblijft. Ruimtelijke ordenaars kiezen vervolgens voor twee verschillende strategieën. Groep 1: ‘Het is niet eerlijk. De MKBA neemt allerlei effecten niet mee. We waren het toch eens over de ambitie? De visie kan niet verwezenlijkt worden zonder dit project. Etc.’ Groep 2: ‘Misschien is het gebiedsontwikkelingsproject wat te megalomaan. We moeten de verschillende stedelijke opgaven kritisch bekijken en kijken of we de meest urgente stedelijke opgave met een betaalbaar project kunnen aanpakken?’

Mijn stelling is dat groep 1 nog te veel in een tijdperk leeft waar het roepen van containerbegrippen en het kennen van de juiste mensen in Den Haag voldoende was voor een ruimhartige subsidie. Groep 2 is meer met de tijd meegegaan en ziet dat ‘the force of the better argument’ aan kracht toeneemt in de strijd om kapitaal.

Advocaat van de duivel
In het paper Zwemles voor planners stel ik samen met Peter Pelzer voor om niet pas na een negatieve MKBA scherp naar de realiteitszin van het plan en de urgentie van de stedelijke opgave te kijken. De eventuele meerwaarde van een gebiedsontwikkelingsproject voor de gemiddelde belastingbetaler moet al veel eerder aan de orde komen. Met name Angelsaksische literatuur benadrukt het belang van een advocaat van de duivel die zo sceptisch mogelijk blijft kijken naar het project (de oplossing) en de urgentie van de stedelijke opgave (het probleem). Deze advocaat van de duivel kan iemand zijn uit het projectteam of een buitenstaander die met een frisse blik naar het project kan kijken. De handreiking Werken aan maatschappelijk rendement noemt dit ook wel: ‘je eigen tegengeluid organiseren’. De advocaat van de duivel moet als het ware doen alsof hij een werkgever is die voor één positie 100 zeer goede sollicitatiebrieven heeft binnengekregen. Hij stelt herhaaldelijk kritische vragen. Het stellen en beantwoorden van deze vragen is niet noodzakelijkerwijs een leuke activiteit, maar het leidt waarschijnlijk wel tot een zeer scherpe beleidstheorie. Een volgende stap is naar mijn mening het controleren van de beleidstheorie met onderzoek en andere feitelijke informatie. Mijn idee is dat deze waterdichte beleidstheorie de kans op subsidie vergroot. Uiteraard is het nog steeds belangrijk om ‘de juiste mensen te kennen’ maar de ‘force of the better argument‘ wordt steeds krachtiger.

Barrières 
Hoewel het incorporeren van de advocaat van de duivel in het planvormingsproces essentieel is, zijn er in de praktijk nog een hoop barrières te slechten. Ten eerste moet een wethouder het zien zitten dat één van zijn ambtenaren constant schiet op een project dat hij met bloed, zweet en tranen in het collegeprogramma heeft weten te fietsen. Ten tweede vertrouwde een wethouder mij laatst toe dat ambtenaren tijdens reorganisaties niet te kritisch durfden te zijn. Ten derde moet je het als ambtenaar maar leuk vinden om te pas en te onpas sceptische vragen aan je collega’s te stellen. Je wordt een buitenbeentje. Ten vierde schrijft de Handreiking MIRT Verkenning juist voor om in de vroege planvormingsfase niet te kritisch te zijn. ‘De Startfase is een vredige fase’ (blz. 33). De ambtenaar wordt geacht de wensen van het bestuur en stakeholders klakkeloos over te nemen om vervolgens deze wensen kritiekloos samen te voegen in een ‘integraal gebiedsontwikkelingsproject’.

Gezien het belang van het incorporeren van de advocaat van de duivel en de obstakels die er bestaan, is mijn voorstel om bij het innovatiefestival voor ruimtelijke vraagstukken óók stil te staan bij het slechten van deze barrières. Wat mij betreft is dat van essentieel belang als je wilt dat de zoektocht naar Nieuw Kapitaal ook daadwerkelijk leidt tot het vinden van Nieuw Kapitaal.

 

 

Voorstellen voor het slechten van barrières bij het incorporeren van kritisch tegengeluid zijn te vinden in het discussiepaper: ‘Advocaat van de duivel maakt besluitvorming Sneller & Beter’ en in het opiniestuk in Trouw 4/10/2013: ‘Organiseer tegenspraak voor grote projecten’ 

Afbeelding boven: artist impression plan Rijnboog Arnhem van Manuel De Solà-Morales

 

nieuw kapitaal

Niek Mouter Promovendus TU Delft

Over de auteur

Niek Mouter is postdoctoraal onderzoeker aan de Technische Universiteit Delft. ‘Maatschappelijke kosten-batenanalyse en ethiek’ is het onderwerp waar hij momenteel onderzoek naar doet. Recentelijk verdedigde hij succesvol zijn proefschrift ‘Cost-Benefit Analysis in Practice’. Ook is hij de initiator van de kenniswebsite www.mkba-informatie.nl



Ook interessant:

Een grootse traditie van maatwerk

Kris Oosting

Grenzen verleggen in Oosterwold

Judith Lekkerkerker

Het publiek domein als grote gelijkmaker

Anne Seghers en Sjors de Vries