Benut sociaal kapitaal, genees van de indeleritis

04 november 2013  /  Frans Soeterbroek

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Twintig jaar geleden publiceerde Robert Putnam zijn baanbrekende werk Making democracy work over sterke regio’s. Hij kwam tot de conclusie dat de kracht van het sociaal kapitaal bepalend is voor goed bestuur en kracht van regio’s. Met sociaal kapitaal doelde hij op een sterk verenigingsleven, onderling vertrouwen tussen burgers en vertrouwen van burgers in de overheid en andere instituties. In een interview durfde hij zelfs te stellen: ‘Zeg me hoeveel zangkoren er in uw regio zijn en ik weet hoe goed uw bestuur is.’ De vraag die mij vooral bezighoudt is, hoe die relatie tussen sociaal kapitaal en kwaliteit van bestuur werkt en welke impact dit heeft op het maken van de stad.

De basis voor het denken over sociaal kapitaal is de vraag hoe actief mensen zijn in het leggen van meer dan incidentele verbindingen met anderen. Het sociale weefsel van de samenleving maken mensen zelf uit de basismaterialen: ontmoeting, nabijheid, zorg voor elkaar, gedeelde ervaring en verhalen, dialoog en gezamenlijke actie. Het meeste daarvan komt spontaan tot stand waar mensen samenleven.

Nieuw sociaal kapitaal
Onderzoekers als Putnam en Richard Sennett zien het sociale kapitaal verdampen door de zich doorzettende individualisering en vooral doordat mensen zich terugtrekken voor de televisie en achter de computer. Dit pessimistische beeld wordt door onderzoekers met meer oog voor de kracht van de netwerksamenleving sterk genuanceerd. Zij zien het sociale kapitaal transformeren van vaste sociale verbanden naar wat socioloog Jan Willem Duijvendak ‘lichte gemeenschappen’ noemt. Dat zou je kunnen betitelen als het nieuwe sociale kapitaal.

Stedenbouwers, planologen, ontwerpers en gebiedsregisseurs die denken beter in staat te zijn dan deze ‘leken’ om geweldige plekken en ‘het stedelijk weefsel’ te ontwerpen gaan de boot missen wanneer ze niet in staat zijn dat in wisselwerking met georganiseerde bewoners te doen.

Mensen verbinden zich pragmatisch, voor specifieke doeleinden en vaak maar tijdelijk, met elkaar. Dat zien we onder meer terug in actiegroepen, issuenetwerken, buurtcomités, vrijwilligerswerk, opknappen van buurten, twitternetwerken, maatjesprojecten en gezamenlijke inkoopacties. Zo ontstaat wat networked individualism of ‘multiple inclusie’ wordt genoemd. Mensen zitten in vele soorten netwerken en geven daardoor sneller kennis, contacten, waarden, normen, verhalen en enthousiasme door. Sociaal kapitaal neemt de vorm aan van energienetwerken en minder van een sociaal hechte groep. Daarmee is de verbondenheid in straat, stad en land niet meer afhankelijk van hechte zuilen en buurten of een rijk verenigingsleven.

Sociale veerkracht
Gemeenten staken tot voor kort vooral energie in de klassieke benadering van sociaal kapitaal door het bevorderen van sociale cohesie, het realiseren van (multifunctionele) buurtcentra, buurtfeesten, vrijwilligerswerk, sport en cultuur. Tegenwoordig wordt daarnaast steeds vaker geëxperimenteerd met de nieuwe benadering van het bouwen van lichte gemeenschappen en dwarsverbanden tussen groepen via sociale menging in buurten, het uitlokken van ontmoeting in de openbare ruimte, wijkondernemingen en zelfbeheer. Dit vanuit het besef dat zelfbewust burgerschap vanuit nieuwe verbanden de buurt en de stad (veer)kracht geeft.

Hierbij wordt vanuit de overheid een subtiel improviserend spel gespeeld van sturen en loslaten. Zo zie je dat de overheid probeert het instrument bewonersbedrijven in veel buurten van de grond te krijgen door geld te parkeren bij intermediairs – zoals het landelijk samenwerkingsverband bewonersinitiatieven en lokale sociale ondernemers – die vanuit een niet-overheidsgebonden rol de bewonersbedrijven helpen opzetten, beoordelen en begeleiden. De overheid stuurt hier met lichte hand en leert steeds beter de valkuilen van paternalisme, afstandelijke regelbureaucratie en het annexeren van initiatieven van burgers te vermijden.

In de zogeheten aandachtswijken wordt bewust gewerkt met de inzet van ondernemende verbinders (best persons in het jargon van de wijkaanpak). Deze groep intermediairs bestaat uit actieve buurtbewoners, welzijnsprofessionals, culturele ondernemers en ambtenaren. Wat hen kenmerkt, is de combinatie van een verbindende en ondernemende houding, een lichtvoetige omgang met regels en blokkades, maatschappelijke betrokkenheid en een bemiddelende rol tussen leef- en systeemwereld.

Lichte gemeenschap (foto: Frans Soeterbroek)

Lichte gemeenschap (foto: Frans Soeterbroek)

Van gebiedsontwikkeling naar placemaking
Voor het ruimtelijk domein heeft dit twee consequenties. De lokale overheid zal steeds vaker de regie op ruimtelijke ontwikkeling op buurt- en wijkniveau in handen (moeten) geven van buurtondernemingen en andere lichte gemeenschapen. En grootschalige gebiedsontwikkeling zal structureel plaats gaan maken voor kleinschaliger vormen van placemaking. Placemaking onder regie van bewoners is zowel de uitdrukking van lokaal sociaal kapitaal – ‘we maken ons sterk voor onze leefomgeving’ – als een krachtig middel om sociaal kapitaal te creëren – processen en plekken die uitnodigen tot ontmoeting, gedeelde ervaring en verantwoordelijkheid.

Stedenbouwers, planologen, ontwerpers en gebiedsregisseurs die denken beter in staat te zijn dan deze ‘leken’ om geweldige plekken en ‘het stedelijk weefsel’ te ontwerpen gaan de boot missen wanneer ze niet in staat zijn dat in wisselwerking met georganiseerde bewoners te doen. Gewoon de tekentafel op straat zetten dus en een waarachtige dialoog voeren over verschillende manieren van kijken naar het leven in de stad. Zo transformeren zij hun culturele kapitaal in sociaal kapitaal en bouwen ze mee aan die sociale veerkracht.

Van verzet naar coproductie
In de actuele discussies over lokale initiatieven wordt wel eens vergeten dat deze zijn voortgekomen uit een lange traditie van verzet van wijkbewoners tegen bouw- en sloopplannen, verkeersplannen, onveiligheid op straat en ongezonde leefomstandigheden. Opbouwwerkers weten maar al te goed hoe het altijd schipperen was tussen de rol van verlengstuk van de gemeente en de rol van bondgenoot van activistische bewoners. Niets werkt zo verbindend in een buurt of een stad als het gezamenlijke verzet tegen plannen van het stadsbestuur. Kenmerkend voor een moderne lokale beweging is dat ze zichzelf opwerpt als producent of coproducent van de stad. Kijk naar de opkomst van stadslabs, netwerken voor een duurzame stad, initiatieven voor tijdelijk gebruik en zelfbenoemde gebiedsregisseurs. Politiek en stadsbestuur kunnen zich daarbij aansluiten maar het initiatief niet monopoliseren.

Het stadsinitiatief Singelpark Leiden (18 kilometer aaneengesloten park realiseren) is daar een goed voorbeeld van. Begonnen als de droom van een individu – de betrokken stadsbewoner en communicatieadviseur Jeroen Maters – met een goed netwerk in de stad. Burgemeester Henri Lenferink heeft het idee gelijk zonder reserves omarmd. Stap voor stap is dit idee uitgegroeid tot een stadsinitiatief waar de gemeenteraad zich ten volle achter stelt. In samenspraak tussen stadsbestuur en initiatiefnemers werd een ontwerpwedstrijd onder zes bureaus uitgeschreven en de bevolking werd gemobiliseerd om die plannen te beoordelen. De gemeente huurde vervolgens de twee winnende bureaus in. En toen de financiering rond moest worden gemaakt, nam het stadsbestuur wat gas terug vanwege de kosten van het beheer. De initiatiefnemers rekenden fijntjes voor dat de gemeente 375.000 euro per jaar bespaart op de inzet van ambtenaren door hun vrijwilligerswerk en crowdfunding. De gemeenteraad kregen ze mee.

Wisselwerking
Dit proces van haasje-over spelen tussen overheid en lokaal initiatief en de dans rond de financiering zal de komende jaren ongetwijfeld tot wrijvingen en teleurstellingen leiden, maar daar wordt iedereen alleen maar wijzer van omdat er al iets stevigs is opgebouwd. Het is vooral de kwaliteit van de wisselwerking tussen lokale initiatieven en stadsbestuur die het ‘m hier doet. Die kwaliteit bestaat uit drie bouwstenen: intensiteit van de relaties (men zoekt elkaar op en denkt met elkaar mee, er ontstaat vertrouwdheid met elkaar, er wordt continu haasje-over gespeeld), wederkerigheid (men gunt de ander ruimte, men heeft elkaar wat te bieden) en waarachtigheid (er worden geen spelletjes gespeeld en de confrontatie wordt niet geschuwd).

Genezen van indeleritis
Wat ik hierboven heb betoogd, is dat het nieuwe sociale kapitaal in meerdere betekenissen grensoverschrijdend is. Het komt tot stand waar mensen zich bewegen tussen meerdere netwerken/lichte gemeenschappen, zowel op buurt als stadsniveau en er is sprake van continue wisselwerking en coproductie tussen lokale initiatieven, ontwerpers en de instituties. Het nieuwe sociaal kapitaal ontstaat waar werelden zich vermengen, nieuwe verbindingen ontstaan en initiatieven niet meer keurig zijn in te delen naar domeinen als overheid, markt en burger. Daar past een improviserende overheid bij, die experimenteert met lichte vormen van regie: soepel heen en weer bewegen tussen ruimte geven en grenzen trekken, meedoen en op de achtergrond blijven, duwtjes in de rug geven en haasje over spelen.

Dat is een lastige boodschap voor de vele professionals, onderzoekers en opiniemakers die lijden aan de ziekte ‘indeleritis’. Daarmee doel ik op de dwangmatige behoefte om alle initiatieven terug te brengen tot statische tweedelingen en of-of redeneringen: is hier de samenleving echt aan zet of zit de overheid er toch achter, is dit burgerinitiatief wel van gewone burgers of van een elite, is dit de bureaucratische overheid of de faciliterende overheid, is dit wijkniveau of stedelijk niveau, bepalen bewoners hier de kwaliteit of de ontwerper? Deze neiging om de wereld helder af te bakenen is het zand in de machine van sociaal kapitaal. Het miskent de mooie dynamiek die al bestaat in het publieke domein en blijft hangen in theoretische noties over burgerinitiatief en overheidsrollen.

Schakelen en vervlechten
Voor ruimtelijke professionals die deel willen en kunnen uitmaken van het nieuwe sociale kapitaal, die kunnen schakelen tussen placemaking en stadsontwikkeling en die om kunnen gaan met de vervlechting tussen burgerinitiatief en overheidsoptreden in het publieke domein ligt er een mooie toekomst. Ruimtelijke professionals zullen in ieder geval meer gevoel moeten krijgen voor de impact van een krachtig sociaal netwerk voor de ontwikkeling van de stad. Laten we in ieder geval afspreken om het begrip ‘stedelijk weefsel’ vooral te gebruiken in de betekenis van het sociale kapitaal en de sociale veerkracht van de stad. Dat doet recht aan het niet te onderschatten belang van dit oude en nieuwe kapitaal.

Foto boven: Stedelijk weefsel (foto: Frans Soeterbroek)

Creatieve stadnieuw kapitaalpolitiek

Frans Soeterbroek Socioloog en bestuurlijk adviseur

Over de auteur

Frans Soeterbroek is socioloog en bestuurlijk adviseur. Met zijn bureau de ruimtemaker (www.deruimtemaker.nl) bouwt hij mee aan coalities in de wereld van ruimte en infrastructuur en ondersteunt hij overheden bij het ontwikkelen van een bestuursstijl die hij 'sturen met lichtheid' noemt. Via zijn blog publiceert hij regelmatig over sturingsvraagstukken in het ruimtelijk domein.



Ook interessant:

Stel de energieopgave centraal in omgevingsbeleid

Jeroen Niemans

Springplank voor een betere stad

Anne Seghers

De ontluikende kracht van middelgroot

Anne Seghers