Stad vol speelruimte

16 oktober 2013  /  Martijn Mulder

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Het idee dat we de ruimtelijke omgeving waarbinnen we ons bewegen in één identiteit kunnen vangen is onzin. Iedere fysieke plek neemt de hoedanigheid aan die in het hoofd van de gebruiker gevormd wordt. Dat betekent dat overheden en ontwikkelaars het lef moeten hebben om de gebruiker – letterlijk en figuurlijk – speelruimte te geven en zijn eigen waarde en waarheid bij het gebied te vormen.

Enkele weken geleden ging ik met vrienden mountainbiken in de Ardennen. Gedurende enkele uren beklommen we de steile heuvels en daalden we af door bossen en velden, de routebordjes langs het pad volgend. Gedurende de trip ervoer ik een veelheid aan bosgebieden, beekjes en verschillende dorpjes. Eenmaal terug bekeek ik de route die we hadden afgelegd op de landkaart. De veelheid aan landschappen die ik had ervaren bleek in werkelijkheid een relatief klein gebied te zijn geweest waar we kriskras doorheen waren gestoken. We hadden meerdere malen dezelfde plek vanuit andere hoeken ingestoken en dorpjes in beide richtingen doorkruist zonder dat het tot herkenning had geleid. Ik realiseerde me dat een fysieke plek zich voor de gebruiker in vele gedaanten kan presenteren.

Hoedanigheid
Neem Festival Mundial, het jaarlijkse festival met wereldmuziek, theater, bazaar, eten en drinken in Tilburg. Na jarenlang een tot de verbeelding sprekend park als decor te hebben gehad, vond de editie van 2013 plaats in ‘Spoorzone 013’. Industrieel erfgoed in het hart van de stad met de oude NS-werkplaats als kloppend hart van creativiteit en innovatie. Een bezoeker vertelde me dat hij zich pas na anderhalve dag festival realiseerde dat dit hetzelfde gebied was waar hij enkele malen voor z’n werk een bijeenkomst had gehad. Hij had hetzelfde gebied simpelweg niet eerder in zijn nieuwe hoedanigheid herkend.

Festival Mundial 2013, Spoorzone013 Tilburg (foto: Festivalmundial.nl)

Festival Mundial 2013, Spoorzone013 Tilburg (foto: Festivalmundial.nl)

De mens ontwikkelt razendsnel attitudes, niet alleen over producten en andere mensen maar ook over de omgeving waar hij zich bevindt. Bij die beeldvorming blijkt de affectieve component vaak centraal te staan: gevoelens en emoties spelen een grote rol in hoe iemand een plek beoordeelt, meer nog dan de ratio. Wat betekent dit voor ruimtelijke ontwikkelingen? En wat betekent dit voor de stedelijke omgeving? Wat mij betreft betekent het dat niet de visie van de ontwikkelaar of de plannen van de lokale overheid leidend moeten zijn in de vormgeving van het ruimtelijke kapitaal, maar de gevoelens en emoties van de gebruiker. Het betekent ook dat we af moeten van het idee dat een plek één identiteit heeft. Het is de truc om de gebruiker het gebied steeds vanaf een andere invalshoek in te laten steken – letterlijk en figuurlijk, net als de mountainbiker in de Ardennen.

Steeds nieuw tijdelijk
Een manier om dat te doen is tijdelijke invulling van gebieden. Door de functies (en rollen!) van het gebied steeds te wijzigen, creëert de gebruiker nieuwe percepties bij dezelfde ruimte. Studio Vacant NL past dat momenteel toe in leegstaand vastgoed. “sequentiële tijdelijkheid”, noemt Erik Rietveld in NRC Next de ontwikkeling waarbij er steeds nieuw tijdelijk gebruik gevonden wordt voor leegstaande panden. Ook in de openbare ruimte kan dit principe toegepast worden. Daarbij geldt in mijn visie één belangrijke succesfactor: overheden en ontwikkelaars moeten het lef hebben om de gebruiker – letterlijk – speelruimte te geven.

Speelruimte
Tijdens de conferentie ‘Leisure als redder van de Stad’ in april 2013 stelden onder andere Gert Urhahn (stedenbouwkundig ontwerper) en Hans Mommaas (hoogleraar Leisure Studies) dat de gebruiker zelf de stad maakt en dat die gebruiker de ruimte dient te krijgen om zijn eigen ‘invalshoek’ te kiezen en zijn attitude te (her)vormen. Dit impliceert dat de traditionele makers van de ruimte het lef moeten hebben om uit hun comfortzone te stappen en met meer onzekerheid te werken. Als de beleving van de gebruiker het kapitaal van de ruimte is, dient die gebruiker zelf aan het begin te staan van vernieuwing en ontwikkeling. Hans Mommaas gaat nog een stap verder: hij stelt dat de termen ‘verbeelding’ en ‘spel’ centraal moeten staan in de stad van de toekomst. “Mensen moeten plekken hebben om te kunnen pielen en klooien”, zegt hij, “Spel is het DNA van de stad. De groeiende leisure sector is daar de meest zichtbare fysieke en economische uiting van en is in die hoedanigheid verantwoordelijk voor de samenhang en identiteitsvorming in een stad.” Om verbeelding en spel ruimte te geven is het naast lef hebben ook belangrijk dat overheden en ontwikkelaars andere competenties aanwenden. Zij zullen in de toekomst beter dan nu in staat moeten zijn vraaggestuurde belevenisconcepten te ontwikkelen.

Third space
Ook in mijn visie vormen spel en verbeelding het kapitaal van de ‘derde ruimte’. Deze third place is de fysieke en sociale ruimte die na de woon- en werkomgeving bepalend is voor het welzijn van de stedeling (Oldenburg, 1989). In deze derde ruimte vindt ontmoeting plaats, vormt en spiegelt het individu zijn identiteit en beleeft hij betekenisvolle momenten. Daarnaast is deze derde ruimte voor de stedeling in de netwerkeconomie steeds vaker een tweede ruimte, waar werk en ontmoetingen samenvallen en vervlechten – denk hierbij aan de koffiebars die de laatste jaren als paddenstoelen uit de stedelijke grond scheten. Alleen wanneer de gebruiker van deze derde ruimte de vrijheid krijgt en voelt om te spelen, om zijn eigen tijdelijke waarde en waarheid te creëren, wordt het potentiele kapitaal van de plek optimaal benut.

Geen wetenschap
We moeten af van het idee dat de gebouwde omgeving één werkelijkheid vormt. De ruimte waarin wij leven is een kunstwerk, de stedelijke omgeving een meesterwerk. Onlangs nam ik een kennis op een zwoele zaterdagavond mee naar de Biergarten in Rotterdam, een zomerterras dat in 2012 in het kader van de Internationale Architectuur Biënnale gestart is op een parkeerterrein dat ingesloten ligt tussen de achterkant van kantoor- en horecapanden en het spoor. De kennis noemde het die avond één van de hipste plekken van de stad. Een jaar eerder had diezelfde persoon hetzelfde gebied tijdens een fietstocht op een doordeweekse middag ‘de lelijkste plek van Rotterdam’ genoemd. Charles Landry had gelijk toen hij stelde ‘City making is Art, not Science’.

Verwijzingen:
-Metz, T, (2013, 2 juli), Een Master in…wat je allemaal kunt doen met een leeg pand, NRC Next, p24
-Oldenburg, R. (1989). The Great Good Place: Cafes, Coffee Shops, Community Centers, Beauty Parlors, General Stores, Bars, Hangouts, and How They Get You Through the Day. New York: Paragon House.

Foto boven: Biergarten, Rotterdam (foto: Ossip van Duivenbode, www.ossip.nl)

Creatieve stadnieuw kapitaalRotterdamStedelijkheidTijdelijkheidTilburg

Martijn Mulder Docent en onderzoeker

Over de auteur

Martijn Mulder werkt als docent en onderzoeker aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Hij houdt zich bezig met de rol van leisure, cultuur en creativiteit in de stedelijke ruimte. Ook is hij als docent verbonden aan de minor Citybranding. Mulder studeerde Leisure Science aan de Universiteit van Tilburg en Sheffield Hallam University. In 2011 publiceerde hij het boek Leisure! en in 2013 organiseerde hij het congres Leisure als redder van de Stad.



Ook interessant:

Column: Tegenstellingen - de blinde vlek van het ruimtelijk beleid

Hans Peter Benschop

Publieke welvaart

Simon Franke en Wouter Veldhuis

'NL Magazine gaat voor de sprong voorwaarts'

Redactie NL Magazine