Denkbeeld Parkstad Limburg

10 september 2013  /  Joey Rademakers

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

In 2015 zal in het gebied, dat tegenwoordig als Parkstad Limburg aangeduid wordt, de 50-jarige sluiting van de mijnen worden gevierd. Dit nodigt uit om een blik te werpen op de maatschappelijke veranderingen die sindsdien hebben plaatsgevonden. De vraag die dan al snel naar boven komt: kan de ‘voormalige mijnstreek’ eigenlijk wel transformeren naar ‘Parkstad Limburg’?

We beginnen op het moment dat het gebied – zonder gedefinieerde grenzen – de stempel ‘voormalige mijnstreek’ losliet en zichzelf benoemde tot Parkstad Limburg. Het verhaal gaat dat een wethouder van Heerlen door zijn stad liep en in de verte Limburgse heuvels zag liggen. Hierop volgde een eurekamoment waarbij alles samenviel; Parkstad Limburg was geboren. De argumentering verliep als volgt: het gebied bestaat uit een agglomeratie van verschillende steden en dorpen met daartussen ‘restland’. Deze kunnen we transformeren naar recreatiegebieden.

Deze gechargeerde weergave van de benoeming tot Parkstad Limburg is metaforisch voor omgang van het bestuurlijk apparaat met de ‘problematiek’ in het gebied. Symptomen van een veranderende samenleving worden bestreden met oplossingen die uit een autonoom functionerend beleid voortkomen.

Ruhrgebied, Randstad en Parkstad
De ambities van de initiatiefnemers van Parkstad Limburg liggen hoog. De belangrijkste speerpunten in het beleid zijn de herstructurering van woonwijken en de verbetering van de infrastructuur. Uit verschillende rapporten en onderzoeken blijkt dat hiervoor vaak de vergelijking met de Randstad en het Ruhrgebied wordt gezocht. Uit diezelfde rapporten blijkt dat deze gebieden het ideale eindresultaat representeren: een mix van steeds verder urbaniserende en recreatieve gebieden uit de Randstad, gecombineerd met een nieuwe creatieve industrie uit het Ruhrgebied.

Een sprekend voorbeeld van dit beleid is de aanleg van een ringweg door alle gemeentes die zich bij Parkstad Limburg hebben aangesloten. De buitenring wordt aangelegd om het gebied beter bereikbaar te maken:

De regio Parkstad is een versnipperd gebied, vooral infrastructureel. Inwoners en bedrijven hebben daar dagelijks last van. Het verkeer vindt maar moeizaam zijn weg door het gebied en bedrijven zijn lastig te bereiken. De Buitenring zal ’n hoop problemen gaan oplossen. Bovendien biedt de Buitenring de kans om het nu versnipperde gebied beter en ook aantrekkelijker in te richten: een omgeving waar het prettig wonen, werken en leven is. En waar je volop kunt genieten van de natuur en tal van recreatieve voorzieningen.”

Met de aanleg van de ringweg moet dit ‘probleem’ tot de verledentijd behoren. Bij de fysieke aanleg wordt paradoxaal genoeg één aspect buiten beschouwing gelaten: maatschappelijke draagkracht. Voor inwoners, sinds enkele jaren Parkstad Limburgers, bestaat deze problematiek helemaal niet. Zij weten de weg en kennen het onderscheidt tussen dorpen, steden en hetgeen daartussen. De imaginaire kaart van inwoners is door de jaren heen gegroeid en verbeeldt de identiteit van het gebied. Deze kaarten zijn collectief, ze worden gevormd door een netwerk van oorspronkelijke lintbebouwing met kernen. De latere uitbreidingswijken door mijnbouw vormen een logische aanvulling op dit netwerk.

Netzstadt
In het beleid voor de nieuwe Buitenring wordt terecht geconcludeerd dat het gebied uit een complex en gelaagd netwerk bestaat. De vraag is echter waarom er nog een extra laag, de ringweg, aan dit netwerk wordt toegevoegd. Het Parkstad Limburg-beleid tracht hiermee het gebied verder te urbaniseren, terwijl het juist in een proces van de-urbanisatie zit.

Wanneer we Franz Oswald’s Netzstadt model op de herstructurering van het gebied zouden toepassen, zou enkel het bestaande netwerk opgehelderd en versterkt worden. Oswald’s model stelt dat het land(schap) altijd de vorm en beperkingen van stedelijkheid bepaalt. Hierdoor ontstaan netwerken die innig verbonden zijn met het land(schap), zoals de lintbebouwing in de voormalige mijnstreek. Het resultaat van deze methode zou een oplossing geven die beter aansluit op de toestand en toekomst van de voormalige mijnstreek. Een netwerk van dorpen en steden, ingebed in het landschap, dat onder invloed van maatschappelijke veranderingen kan groeien en krimpen.

‘Power-to-the-people-parkjes’
Met Netzstadt als strategie, die zowel rurale als urbane kwaliteiten een plaats geeft, kan ook een uitspraak worden gedaan over het tweede speerpunt van Parkstad Limburg: herstructureren van woonwijken.

Bij de pragmatische uitvoering van dit speerpunt blijkt dat hier twee methodes voor gehanteerd worden. De eerste zien we terug in uitbreidingswijk De Kakert. Enkele jaren geleden was deze wijk volledig verlaten en bestond het straatbeeld uit dichtgetimmerde arbeiderswoningen uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Een exemplarisch wijkje voor de verandering die het gebied doormaakt. Herstructurering vond plaats door de bestaande suburbane woonwijk te slopen en een nieuwe suburbane woonwijk te bouwen. Het grote verschil met wat er voorheen stond: het geheel is opgetrokken uit een eenentwintigste eeuw baksteen. In wezen is hier dus niets ‘geherstructureerd’. De suburbane woonwijk blijft bestaan samen met het overschot en ongeschiktheid van dit soort woontypologieën. Over tien jaar, als het nieuwe wel van de baksteen af is, komt de wijk weer met hetzelfde probleem te zitten. Zo niet, dan verschuift het moeiteloos door naar een van de andere woonwijken in de voormalige mijnstreek.

Bijvoorbeeld naar het Aldenhofpark, een buurt grenzend aan het centrum van Hoensbroek. Hier wordt methode twee van de Parkstad Limburg strategie toegepast: indien er geen draagvlak – lees financiering – is voor nieuwe woningen, ontwikkel dan een Brede Maatschappelijke Voorziening (een multifunctioneel centrum) en maak van lege kavels ‘power-to-the-people-parkjes’. Daar is het weer: ook hiervoor is een Brede Maatschappelijke Draagkracht nodig.

Geo-culturele context
Een van bovenaf opgelegde voorziening met bijbehorend parkje heeft dan ook weinig kans van slagen. Dergelijke initiatieven hebben alleen kans van slagen als zij uit burgerinitiatief voortkomen. Filosoof en econoom John Gray schrijft over deze machtsingrepen dat men denkt dat alles tegenwoordig uit lineaire processen bestaat – dat processen groeiend en vervolgens definitief zijn – maar dat in feite alleen de wetenschap en technologie tot deze lineaire processen behoren. Domeinen als cultuur, politiek en maatschappij zijn cyclisch van aard. Zij hebben niet als doel een definitieve oplossing voor deze domeinen te vinden, maar enkel om hen stand te houden.

In het geval van ‘wonen in Parkstad Limburg’ betekent het dat bij herstructurering woonwijken beter gekeken zou moeten worden naar maatschappelijke veranderingen die plaats vinden en naar de culturele context waar deze wijken zich in bevinden. Of het nu de oorspronkelijke lintbebouwing of mijnconcessies betreft, het gebied heeft altijd een innige verbinding met het (gecultiveerde) land gehad.

Cyclische benadering
Wanneer het gebied als cyclisch proces, in plaats van Parkstads lineair proces, wordt benaderd, kan het gebeuren dat een woonwijk teruggegeven wordt aan het landschap of een wijk een andere structuur aanneemt, die van een ruraal leefgebied. Met deze strategie worden cyclische processen in stand gehouden, want ooit bestond dit gebied uit niets anders dan land, dorpen, steden en rurale leefgebieden.

Hier ligt het verleden, maar ook de toekomst van het gebied. Met de mogelijke Internationale Bauausstellung 2020 in Pakstad Limburg ligt er onbedoeld een kans de gekozen strategie te herzien. Laten we niet meer de Randstad als voorbeeld nemen, maar Netzstadt.

IBA 2020MaastrichtParkstadRegio's

Joey Rademakers Ontwerper

Over de auteur

Joey Rademakers deed anderhalf jaar filosofisch en architectonisch onderzoek naar wonen in de voormalige oostelijke mijnstreek. Hij is als onderzoekend ontwerper betrokken bij verschillende leegstandsprojecten in Zuid Limburg.



Ook interessant:

Verdichting vraagt om verrijkende participatie

Karin de Nijs, Marie Morel, Sandra Bos en Stan Majoor

Het platteland verandert sneller dan de stad

Anne Seghers

Het publiek domein als grote gelijkmaker

Anne Seghers en Sjors de Vries