Droomhuizen en luchtkastelen

09 juli 2013  /  Pieter Hoexum

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

De een z’n nachtmerrie is de ander z’n droom. Door de crisis worden veel van de grote nieuwbouwprojecten die op stapel stonden afgelast of op de lange baan geschoven. Maar, nu de grote bouwers en projectontwikkelaars ‘geschoren’ worden en doodstil blijven zitten, vestigen veel gemeentes hun hoop op particulieren: dan verkopen ze hun grond wel in kleine stukjes, aan particulieren die vervolgens daarop zelf hun ‘droomhuis’ mogen bouwen.

De crisis lijkt zodoende een al wat ouder ideaal van architect Carel Weeber, uit de jaren negentig van de vorige eeuw, het ‘wilde wonen’, nieuw leven in te blazen. Sinds een paar jaar is het ‘wilde wonen’ omgedoopt tot ‘zelfbouw’ en ‘particulier opdrachtgeverschap’, en wordt het weer even druk besproken. Kijkend naar de hoeveelheid discussie, publicaties, websites en dergelijke, valt op hoe weinig er in de praktijk van terecht komt. Het ‘wilde wonen’ is en blijft een storm in een glas water. Uitzonderingen zoals Almere daargelaten. Almere, stad van rijtjeshuizen, is onder de bezielende leiding van Duijvestein onbetwiste ‘hoofdstad’ van de zelfbouw, zoals ook blijkt uit een recent boek: ‘Hoe bouwt de particuliere opdrachtgever’.

In de woningbouw is de ene utopie, die van de ‘planbaarheid’ door de overheid, vervangen door een andere, namelijk die van de ‘autonomie’ van particulier initiatief.

Luchtkastelen  
Maar dat zijn echt uitzonderingen. Hoe groot de wanhoop in de bouwwereld is blijkt uit de gretigheid waarmee men zich stort op piepkleine markt van de particuliere opdrachtgevers. Zo kunnen gegadigden terecht op de site www.vankavelnaardroomhuis.nl, of kunnen zich abonneren op ‘Kavel&Huis’, ‘Het tijdschrift over het (laten)bouwen van een eigen woning’, die ook een jaarboek uitgeeft: Droomhuis. Of ze kunnen terecht bij het bureau met de wervende naam ‘Het Mooiste Huis van Nederland’; dit bureau ‘vervult uw droomwens’.

Gevreesd moet worden dat die zogenaamde ‘droomhuizen’ slechts luchtkastelen zijn. De optimistische en modieuze visie luidt dat de toekomst niet aan grote, maar juist aan kleine projecten is. Dat zou veel betere, want meer gevarieerde en diverse, woonwijken en ‘straatbeelden’ opleveren. Het lijkt erop dat in de woningbouw de ene utopie, die van de ‘planbaarheid’ door de overheid, is vervangen door een andere utopie, namelijk die van de ‘autonomie’ van particulier initiatief.

Ondertussen moet ik toegeven dat zo’n kreet als ‘Het mooiste huis van Nederland’ de fantasie wel prikkelt. Je gedachten dwalen als vanzelf af naar de villa’s van weleer, van Palladio of naar de moderne villa’s van Frank Lloyd Wright of Le Corbusier. Stuk voor stuk behoren hun villa’s tot de categorie ‘mooiste huizen ter wereld’. Toch geldt voor deze villa’s wat voor alle droomhuizen geldt: mooi om te zien, maar zou je er willen wonen?

Vroondaal, Den Haag (foto: TijsB (http://www.flickr.com/photos/tijsb/) (CC BY-SA) )

Vroondaal, Den Haag (foto: TijsB (http://www.flickr.com/photos/tijsb/) (CC BY-SA) )

Mooiste huis
Al decennia geleden schreef een Italiaans architectuurtijdschrift een wedstrijd uit voor het ontwerp voor ‘het mooiste huis ter wereld’. Criticus-architect Witold Rybczynski hoorde over deze wedstrijd van een collega, toen die hem vroeg of hij misschien wist wat bedoeld werd met ‘het mooiste huis ter wereld’. Rybczynski antwoordde spontaan: ‘Het mooiste huis ter wereld is het huis dat je bouwt voor jezelf’. Dat léék een afdoende antwoord, maar de kwestie bleef Rybczynski bezig houden, zeker toen hij zelf een huis voor zichzelf ging bouwen. Het resultaat was niet alleen een prachtig huis, maar ook een mooi boek, waarin Rybczynski  verslag uit brengt van het bouwproces: The Most Beautiful House in the World. Het lijkt er wellicht op dat hij in dat boek een lang pleidooi houdt voor zelfbouw, ‘wild wonen’ of ‘particulier opdrachtgeverschap’. Ik heb het boek uiteindelijk heel anders gelezen, namelijk juist als een belangrijke nuancering van het idee van een ‘droomhuis’ en van ‘zelfbouw’.

Het boek gaat grotendeels over de avonturen die Rybczynski beleefde toen hij een huis voor zichzelf ging bouwen. Van ‘planbaarheid’ bleek geen sprake, het boek laat prachtig zien dat ‘bouwen’ betekent ‘veranderen van plan’. Al doende kom je er pas achter wat je eigenlijk wil. Het begon er allemaal mee dat Rybczynski een boot wilde kopen en dus een boothuis nodig meende te hebben. Vervolgens leek het hem wel aardig er een weekendhuisje van te maken en nog later een ‘echt huis’. Maar dan moest zijn echtgenoot ook mee verhuizen en die had ook zo haar eigen wensen… enzovoorts, enzovoorts.

Meest huiselijke huis
In het laatste hoofdstuk komt dan de kwestie van ‘het mooiste huis ter wereld’ aan de orde. Rybczynski is natuurlijk niet zo onbescheiden dat hij zijn eigen bouwsel aanwijst, zijn favoriet is het huis van de Zweedse schilder Carl Larson (1853-1919). Dat huis is verre van perfect of volmaakt en is misschien niet eens echt ‘mooi’ te noemen. Maar het is wel het meest bewoonbare, meest huiselijke huis ter wereld, en daar blijkt het Rybczynski uiteindelijk toch om te gaan.

In 1889 kreeg Larssons echtgenoot van haar vader een hut op het Zweedse platteland cadeau. In eerste instantie gebruikten ze het als zomerhuisje. Later liet Larsson er een atelier bij bouwen en toen hij meer succes kreeg een nog groter atelier. Het oude atelier werd omgebouwd tot woonkamer, waardoor het gemakkelijk werd er steeds langere perioden te verblijven. Dat beviel zo goed, dat de Larssons besloten er permanent te gaan wonen. En niet allen qua werk bleek het een vruchtbare locatie: de Larssons kregen acht kinderen en bij ieder kind groeide het huis mee.

Het resulteerde uiteindelijk in een bouwwerk dat Rybczynski aan de ene kant kenschetst als een verzameling schuren en schuurtjes, maar anderzijds als ‘het mooiste huis ter wereld’. Larsson schreef er trouwens een mooi, ontroerend boekje over, met veel illustraties, dat nog in het Nederlands is vertaald als Huize Zonnegloren. Voor de duidelijkheid, het huis werd geen ’totaalkunstwerk’ of iets dergelijks, integendeel, het bleef juist heel charmant pretentieloos en intiem, knus. Het huis was en bleef een echt thuis. In tegenstelling tot de schoonheid van beroemde villa’s, is deze schoonheid niet universeel, maar juist geheel particulier. Het is niet zozeer een droomhuis, als wel een zeer geslaagde improvisatie.

Dromen of verbouwen
Kortom, de nuancering die Rybczynski volgens mij aanbrengt is deze: het mooiste ter wereld is het huis dat je voor jezelf ver-bouwt. Particulieren kunnen wat mij betreft dan ook rustig blijven dromen, zolang ze die maar niet realiseren. Voor de bouwers lijkt het me verstandiger niet meer te blijven dromen over nieuwbouwprojecten, of deze nu groot of klein zijn; in plaats daarvan kunnen ze zich richten op het verbouwen van bestaande woningen en gebouwen.

Foto boven: Het huis van Carl Larsson (foto: Ella Jaknel)

AlmereParticulier opdrachtgeverschapRenovatieWoningcorporaties

Pieter Hoexum Filosoof en publicist

Over de auteur

Van Pieter Hoexum (Meppel, 1968) verscheen vorig jaar Kleine filosofie van het rijtjeshuis (Uitgeverij AtlasContact, 2014). Hij studeerde filosofie, was boekverkoper en is sinds 2001 schrijver aan huis. In 2001 won hij de Jan Hanlo Essayprijs Klein, in 2003 verscheen van hem het boek Gedenk te sterven. De dood en de filosofen. Hij publiceert regelmatig artikelen over filosofische onderwerpen en over wonen en stedenbouw in onder andere Trouw, De Groene Amsterdammer en Filosofie Magazine. Hij werkt momenteel aan een nieuw boek, over thuis als plek voor alledaagsheid, met als werktitel Doen alsof je thuis bent. Meer informatie is ook te vinden op zijn website.



Ook interessant:

Ruimte voor de toekomst van werk

Freek Liebrand

De stad heeft altijd vernieuwing nodig

Anita Blom

Het platteland verandert sneller dan de stad

Anne Seghers