Scienceparken ondermijnen de kracht van de stad

09 januari 2013  /  Jannes van Loon

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

De grootste vastgoeddeal van 2012 zal waarschijnlijk de verkoop van de High Tech Campus in Eindhoven zijn à 425 miljoen euro. Dit initiatief staat niet op zich. Er wordt nauwelijks meer gebouwd in Nederland behalve dan aan scienceparken waar miljarden aan (semi)publiek en privaat geld heen stromen om de zoveelste kloon van Silicon Valley te bouwen.

Volgens een onderzoek van Buck Consultants zijn het “innovatieversnellers van nationaal formaat”. Campussen zullen gerust hun goede kanten hebben, maar kunnen ze ook kwaad? Wat betekent een campus bijvoorbeeld voor de omringende bestaande stad? Het voorbeeld van de Amsterdamse campus ontwikkeling van de UvA kan dit duidelijk maken. Dit Science Park, is een stad van 98 voetbalvelden groot, waar bèta’s moeten wonen, studeren, werken en leven.

Een campus is, anders dan een organisch gegroeide historische stad als Amsterdam, een stedelijk gebied met slechts één soort mensen. Jane Jacobs, godmother van de stadswetenschap, bezocht eind vorige eeuw onze hoofdstad. Ze was diep onder de indruk en meende dat Amsterdam: “proves that my theory works”. Allerlei statistieken suggereren dat dit succes structureel is. Jaarlijks overnachten een kleine vijf miljoen toeristen in de stad. De wachttijd voor een sociale huurwoning loopt op tot vijftien jaar. In populaire wijken betalen mensen vier, vijf, soms zelfs zes duizend euro per vierkante meter voor appartementen van inferieure kwaliteit. Na Schiphol zijn de kantoorvierkante meters hier het duurste van Nederland. Ook zijn bewoners zeer tevreden, gemiddeld beoordelen zij hun buurt met een dikke zeven. Feiten waar andere Nederlandse stadsbestuurders van watertanden.

Als de straten dag en nacht gevuld zijn met een grote variëteit aan mensen, dan is een stad geslaagd

In Jacobs’ visie valt het succes van een stad af te lezen aan haar straten. Zijn deze dag en nacht gevuld met een grote variëteit aan mensen, dan is een stad geslaagd. Deze mensen zorgen er enerzijds voor dat iedereen zich veilig voelt en anderzijds zorgt hun consumptie voor economische bedrijvigheid. Deze diversiteit vloeit voort uit een aantal basiscondities, waaronder de strategische plaatsing door de overheid van primaire voorzieningen. Hierbij kan je denken aan gebouwen die dagelijks grote groepen mensen aantrekken.

De faculteiten van de UvA – die met enige regelmaat worden bezocht door de ruim 32.000 ingeschreven studenten en 5.000 medewerkers – zijn een schoolvoorbeeld van zo’n primaire voorziening. Studenten vertoeven vaak in en rondom faculteiten op het moment dat veel andere mensen aan het werk zijn. Ze verlevendigen hierdoor veel momenten die anders doods en saai zouden zijn. Primaire voorzieningen creëren ook allerlei secundaire voorzieningen. Zonder mijn oude faculteit op het Roeterseilandcomplex geen Café de Roeter, Coffeeshop het Ballonnetje, Krater, Kriterion, Pizzeria Torino, Pool Lokaal de Gracht, Printerette, Selexyz, Studijob, of T. Maar dit soort mechanismen werkt alleen als een primaire voorziening niet zo groot wordt dat deze zijn gehele omgeving opslokt, of los van de bestaande stad wordt gebouwd.

Roeterseiland, Amsterdam (foto: Jannes van Loon)

Arrogante betweter
Het Science Park is het schoolvoorbeeld van het niet tactisch plaatsen van een primaire voorziening. Een steriel gebied voor een hoogopgeleide elite dat totaal geen rekening houdt met de nabije omgeving. Het Science Park zoekt geen aansluiting met de lokale bedrijvigheid en historie, maar beukt als arrogante betweter tegen de Indische Buurt aan. De plaatselijke middenstand – die niet eens een flyertje in de UvA gebouwen mag ophangen voor een leuk feestje – wordt kapot geconcurreerd met belachelijk goedkope sportabonnementen en gesubsidieerd bier. Het ‘park’ wordt een homogeen gebied van wereldvreemde bètastudenten, die alleen maar wereldvreemder worden. Deze afscherming van studenten voor ‘de boze’ stad is misschien wel veilig en aangenaam, maar schadelijk voor de stad en samenleving.

In Amerika is het al decennia normaal om campussen geheel af te scheiden van de werkelijkheid. Zelf heb ik een half jaar op Fordham gestudeerd; een 95% witte campus midden in de zwarte Bronx. Ondanks een security-haag waar je alleen langs komt als je een Fordham ID hebt of blank bent staat er alsnog om de 100 meter een alarmpaal. Deze segregatie leidt er toe dat Fordham-studenten elke ‘ander’ zien als een groot gevaar en bijvoorbeeld bijna nooit met de metro durven te reizen. Nu hoeven we natuurlijk niet direct te vrezen voor Amerikaanse toestanden, maar de centralisatie van studenten zorgt er wel voor dat ze (nog) minder met de arbeidersklasse in contact komen. Daarnaast kan alledaags terloops contact met mensen die geen student of wetenschapper zijn voor zelfreflectie zorgen. Zo kan een vuilnisman die zich in het zweet werkt je doen beseffen dat het een groot voorrecht is om zwaar gesubsideerd onderzoek te mogen verrichten

Segregatie
Het grootste gevaar van scienceparken en hun gebruikers is dus dat ze zichzelf afschermen van de rest van de stad en samenleving. In het prachtige boek Metroburbia beschrijft Paul Knox hoe pervers de Amerikaanse samenleving is geworden door extreme ruimtelijke segregatie. Het ruimtelijke afzonderen van bèta’s is een eerste stap naar een samenleving waarin mensen alleen nog maar bezorgd zijn over hun eigen hachje; hun eigen woningwaarde, hun zo laag mogelijke belastingen, een zo goed mogelijke school voor hun kinderen, etc. Ayn Rand beschrijft dit mooi als: “Independence is the only gauge of human virtue and value”. Amerikanen verliezen uit het oog dat sommige mensen niet onafhankelijk, zonder hulp van de staat, kunnen leven, omdat ze die hulpbehoevenden gewoon niet meer tegen komen.

Op korte termijn kan het lucratief zijn om braakliggende grond om te toveren tot high tech scienceparken. Echter, het verdwijnen van kleinschalige, gespreide faculteiten die zeer intensief gebruikt worden tot laat in de avond brengt onherstelbare schade aan het succes van binnensteden, aan die fijnmazige functiediversiteit. Dit bedreigt op lange termijn het succesvol (economisch) functioneren van steden. Steden en universiteiten worden internationaal bezien een stuk minder aantrekkelijk. Weinig academici zullen wild enthousiast worden als ze op station Amsterdam Science Park uitstappen. Maar ook toeristen zullen een binnenstad zonder studenten als leeg ervaren.

Foto boven: Science Park Amsterdam (foto: Jannes van Loon)

AmsterdamOnderwijsStedelijkheid

Jannes van Loon PhD Student / Stadswetenschapper

Over de auteur

Stadswetenschapper, cum laude afgestudeerd aan de research master 'Metropolitan Studies' aan de UvA op een onderzoek naar openbare ruimte in Amsterdam en New York. Jannes doet momenteel promotie-onderzoek naar de verwevenheid van overheid, finance en de vastgoedwereld.



Ook interessant:

Springplank voor een betere stad

Anne Seghers

Publieke welvaart

Simon Franke en Wouter Veldhuis

Een fundament voor het verhaal van morgen

Jeroen Niemans