De Spontane Stad voorbij de hype

06 december 2012  /  Sander Gelinck

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

‘Organische stedelijke ontwikkeling’, ‘ontwikkelen van onderop’ of ‘incrementeel ontwikkelen’. Het zijn omschrijvingen voor een geleidelijke vorm van ontwikkelen, zonder eindbeeld, met als bouwstenen kleinschalige initiatieven genomen door ‘anderen dan de grote professionele partijen’. Welk etiket je er ook plakt, het zijn perspectieven die een grote aantrekkingskracht hebben op stedenmakers van nu. Dat bleek wel uit een uitverkochte zaal vol sympathisanten tijdens een interactieve bijeenkomst op woensdag 30 oktober in het Amsterdamse Pakhuis de Zwijger.

De bijeenkomst vond plaats rond de presentatie van ‘Vormgeven aan de Spontane Stad’. Deze publicatie is het logische vervolg op De Energieke Samenleving en De Spontane Stad waarin Planbureau voor de leefomgeving (PBL) en Urhahn Urban Design los van elkaar pleiten voor een andere manier van stedelijke ontwikkeling. Voor de nieuwe publicatie werkten Urhahn en PBL samen. Na de pleidooien uit 2010 en 2011 legt ‘Vormgeven aan’ de nadruk op de hoe-vraag. Of preciezer op de vraag hoe gemeenten spontane initiatieven kunnen faciliteren.

De publicatie wil feitelijk zijn, en beschrijft welke rol de lokale overheid heeft gespeeld in achttien spontane initiatieven. Het laat zien dat er in de praktijk vele kleuren grijs aan het ontstaan zijn. Van regelvrije zones en verleiden via het bestemmingsplan – deze zogeheten uitnodigingplanologie werd tijdens de bijeenkomst overigens al aangescherpt tot ‘schrijf maar op wat niet mag, de rest kan dan wel en we noemen het uitsluitingplanologie’ – tot kickstartsubsidies en sturen door kiezen van de ‘juiste’ initiatieven. In het onderzoek is het ruimtelijk instrumentarium nauwkeurig onder de loep genomen op belemmeringen, met als voor de hand liggende conclusie dat het belangrijker is dat gemeenten gewoontes en werkwijzen veranderen, dan dat wet- of regelgeving aanpassing behoeven.

Gezamenlijke regie
De middag begon met enkele stellingen waarbij opvallend was dat vrijwel de hele zaal uit sympathisanten bestond. Vrijwel iedereen was het oneens met de stelling dat organische stedenbouw een hype is. Met als argument dat steden zich eeuwen vanzelf ontwikkeld hebben, werden de grootschalige plannen van de afgelopen decennia tot de uitzondering gemaakt. Op de stelling of de overheid in de Spontane Stad nog wel regie moet voeren, werd gesteld dat ook dat achterhaald is. Regie, dat doen we tegenwoordig samen. De publicatie zelf is genuanceerder – of beter: kiest eigenlijk niet – door te stellen dat van onderop niet de panacee voor alle kwalen is en er in de toekomst ook ruimte voor integrale ontwikkeling zou kunnen zijn.

De publicatie laat ook zien dat veel gemeenten nog op twee gedachten hinken. Veel spontane initiatieven zijn tijdelijk. Niet omdat de initiatiefnemers daarvoor kozen, maar omdat gemeente de initiatiefnemers niet meer tijd gunden. Zich al dan niet verschuilend achter bestemmingplan, contracten en mogelijke claims. Maar het maakt duidelijk dat er ook gestuurd wordt op open houden van de mogelijkheden. Als de vraag naar woningen en vastgoed weer aantrekt, moet er weer grootschalig en integraal ontwikkeld kunnen worden, lijken die gemeenten te zeggen.

Open Coöp, Tolhuistuin, Amsterdam – een plek waar verschillende disciplines fysiek samen werken en input leveren, waar kruisbestuiving tussen techniek, kunst en design ontstaat door te doen (foto: Sander Gelinck)

Vragen
De bijeenkomst roept een paar vragen op. Waarom vinden zovelen dit eigenlijk een aansprekend perspectief? Ook in de wetenschap dat in het verleden stedelijke voorzieningen betaald werden uit grootschalige, integrale plannen en – alle discussies over nieuwe verdienmodellen ten spijt – de bekostiging daarvan nog een grote blinde vlek is in het ontwikkelen van onderop.

Pleitbezorgers voor organische stedenbouw zijn niet alleen voor een andere manier van stedenbouw, maar ook voor een andere verdeling van de macht.

De publicatie noemt als voordelen van organische gebiedsontwikkeling dat eindgebruikers meer betrokken worden bij het beheer, dat er meer diversiteit ontstaat en dat het geheel minder kwetsbaar worden als delen loosely coupled zijn. Ook dat is redelijk modieus en lijkt te suggereren dat iemand (stedenbouwers?) het geheel (de stip op de horizon) wel bewaakt en managet dat die stip ook dichterbij komt. Persoonlijk werk ik liever met software die werkt, dan ‘loosely coupled designs’ en gemeentelijke verkokering kun je met enig gemak ook loosely coupled noemen.

Alle drie de argumenten die genoemd worden ten faveure van organische stedenbouw passen prima in integrale en grootschaliger plannen. Sterker nog: anno 2012 doen ontwikkelende partijen niet anders. Ze realiseren een zo gemengd mogelijk programma, nemen meer tijd voor realisatie en voeren plannen flexibeler uit. En werken soms zo innig samen met eindgebruikers dat daar weer kritiek op komt door te verwijzen naar de beroemde uitspraak van Henry Ford: ‘Had ik aan mensen gevraagd wat ze wilden, hadden ze een sneller paard gevraagd.’

Een andere vraag is of we in Nederland ook gaan accepteren dat gebieden eerst door diepe dalen gaan met bijbehorende randverschijnselen voordat (soms, geen garantie en als het lukt, duurt het zomaar één à twee decennia!) de weg naar boven gevonden wordt. In Nederland zijn we niet erg sterk in wijken laten afglijden. De meest interessante vraag over organische stedenbouw is, wat mij betreft, hoe uit losse initiatieven samenhang ontstaat. Welke initiatieven moet je koesteren omdat ze eraan bijdragen dat je dichter bij die stip op de horizon komt? En kan het proces echt slagen zonder dat iemand (commercieel of publiek) op een bepaald moment (grootschalig) investeert? Op plekken waar bijzondere dingen gebeuren als Schieblock en Strijp, investeren de initiatiefnemers naast bloed, zweet en tranen namelijk ook financiële middelen.

Vormgeven aan de Spontane Stad geeft op al die vragen nog geen antwoord. Geen verwijt overigens. Maar omdat de publicatie zo nadrukkelijk de rol van gemeenten centraal stelt, is de automatische vraag of gemeenten ook de partij zijn die deze kennis (en fingerspitzengefuhl) gaan ontwikkelen. Voor je het weet heb je de nieuwe Apple door je ‘tijdelijk aanbod’ je gemeente uitgejaagd.

Geen waardenvrije stedenbouw
Het zijn vragen waar de pleitbezorgers voor organische stedelijke ontwikkeling wel antwoord op moeten (gaan) geven. De manier waarop steden in Nederland ontwikkelen, is namelijk geen natuurwet. Of zoals Justus Uitermark in zijn column op de bijeenkomst duidelijk maakte: er bestaat niet zoiets als waardenvrije stedenbouw. Onder verwijzing naar David Harvey legde hij uit dat de (opvatting over de) stedenbouw de actuele maatschappelijke machtsverhoudingen weerspiegelt. Pleitbezorgers voor organische stedenbouw zijn dus niet alleen voor een andere manier van stedenbouw, maar ook voor een andere verdeling van de macht. Vóór burgers en gewone mensen die initiatieven nemen en tegen die van de ‘grote, professionele partijen’. En wie weet ook wel tegen een dirigistische overheid.

Daarmee legde Uitermark de bal terug bij de zaal. Als organische stedenbouw echt voorbij de hype wil komen, zullen de sympathisanten moeten laten zien waarom ze vóór zijn. Dat laten ontstaan de betere manier is om in de toekomst steden te krijgen waar mensen graag willen wonen, werken en verblijven. Hoogste tijd om bewijsmateriaal te gaan verzamelen.

Foto boven: Blokhuispoort, Leeuwarden – de oude gevangenis heeft een grote aantrekkingskracht (foto: Sander Gelinck)

Amsterdamgovernancenieuw kapitaalOndernemerschapStedelijkheid

Sander Gelinck Adviseur

Over de auteur

Sander Gelinck is adviseur herbestemming leegstaande gebouwen, lid van het expertteam kantoortransformatie en geïnteresseerd in wat de nieuwe tijd aan gebouwformules, manieren van ontwikkelen en nieuwe behoeftes oplevert.



Ook interessant:

Schipperen tussen grote opgaven en lokale oplossingen

Jeroen Niemans

Werken aan de productieve stad

Kris Oosting

Grenzen verleggen in Oosterwold

Judith Lekkerkerker