Kalm voortkabbelen

13 november 2012  /  Pieter Hoexum

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Zoals tegenwoordig de Vinexwijken verdoemd en verketterd worden, zo werden eind vorige eeuw de zogenaamde ‘groeikernen’ als het ware onbewoonbaar verklaard. Steden zoals Zoetermeer, Hoofddorp en Nieuwegein maakten inderdaad de verwachtingen van de bedenkers en bouwers niet waar. Maar die verwachtingen waren dan ook overdreven en bovendien tegenstrijdig. Ondertussen wordt er wel degelijk gewoond in deze steden. En vaak met veel genoegen. Hoe kan dat? Hoe doen ze dat? Hoogste tijd om een kijkje te nemen.

Het was precies een uur rijden van mijn woonplaats Purmerend naar Houten. Daar was ik uitgenodigd mee te gaan met een excursie langs de groeikernen Houten en Nieuwegein. Die excursie was georganiseerd ter ere van de presentatie, later die middag, van het boek Atlas nieuwe steden en het rapport over de groeikernen Nieuwe steden in de Randstad. Verstedelijking en suburbaniteit. Voor mij was het uitermate raar, vervreemdend, om die woonwijk als excursie-deelnemer, vanuit een bus te bekijken. Net zo raar als het was om vervolgens deel uit maken van een groep die werd rondgeleid door het centrum. Purmerend is namelijk zelf een groeikern. Ik was met dat uur autorijden niets opgeschoten: van groeikern naar groeikern. Had ik niet net zo goed thuis kunnen blijven en mijzelf, als ‘inboorling’, zo het ongemakkelijk gevoel kunnen besparen deel uit te maken van een ontdekkingsreis door mijn eigen rimboe, langs een naburige nederzetting?

Het bleek echter ook voor mij, als ‘inheemse’ geïnteresseerde leek, een leerzame excursie. De kenners en deskundigen die ons rondleidden maakten al snel duidelijk dat de groeikernen bepaald niet ‘een pot nat’ zijn. Houten bleek werkelijk te verschillen van Nieuwegein. Zo lopen de grotere (auto)wegen als slagaders door Nieuwegein, terwijl de ‘Rondweg’ als een strop om Houten heen ligt. Daardoor voelde Houten wat kalmer en meer ‘dorps’ aan en Nieuwegein wat dynamischer, meer ‘stedelijk’.

Hoe verschillend ook, echt ‘bijzonder’ zijn de groeikernen niet geworden. Ze zijn juist heel gewoon, alledaags. De sfeer is vertrouwd, informeel en ongedwongen, zónder dat het echt dorps wordt. Groeikernen zijn allemaal ‘oude bekenden’, ze zijn ‘familiair.In Houten en Nieuwegein trof ik als het ware twee ooms op een familiereünie, waarna ik mijn eigen vaderstad weer met nieuwe ogen kon bekijken.

Capelle, foto: Theo Baart

Leefomgeving
De nadruk van de excursie lag gelukkig niet alleen op de concrete stedenbouwkundige of planologische aspecten, maar ook op zoiets ongrijpbaars als de leefomgeving. Zo werden we gewezen op een fitnesscentrum dat 24/7 geopend is en kregen fragmenten voorgelezen uit recensies van bezoekers aan restaurants in de buurt, geschreven  op de site Iens. Die recensies bleken bijzonder verhelderend, omdat de recensenten/bezoekers hun werk serieus nemen en niet alleen het eten en de bediening en dergelijke beschrijven, maar ook het soort publiek en de omgeving – kortom de sfeer in en bij het restaurant. En terwijl we langs een hotel reden, kregen we te horen over de dingen die zich daar afspelen die het daglicht niet kunnen verdragen, namelijk prostitutie en overspel.

Ik woon nu ruim tien jaar in Purmerend, dat voor mij in eerste instantie niet veel meer was dan een buitenwijk van Amsterdam. Zoals zoveel bewoners van Purmerend, vonden we hier een comfortabele, functionele en vooral betaalbare woning. Het duurt een tijdje voordat het je woonomgeving wordt. Naar aanleiding van het bezoek aan Houten en Nieuwegein, realiseerde ik me dat ik zo langzamerhand hier toch echt woon. Ik ken immers ook de leuke restaurants hier in de buurt, de betere afhaalchinees en een bed&breakfast een paar straten verderop, waar logees terecht kunnen (over prostitutie en overspel weet ik, echt waar, niets).

In beeld
In vergelijking met de ontspannen excursie bleek het boek Atlas nieuwe steden nogal taai. Je zou ook kunnen zeggen: ‘gedegen’, want ik kan me niet anders voorstellen of hierin staat alles wat je zou willen weten over de groeikernen. Het knappe is dat de auteurs nieuwsgierig zijn gebléven, vooral ook naar de bewoners. Ze proberen voorbij ‘structuurvisies’ en statistische gegevens te komen. Ze doen niet alleen de theoretische en ideologische achtergronden van de plannen met de groeikernen uit de doeken, maar brengen ook de resultaten in beeld. Erg verhelderend zijn bijvoorbeeld de ‘icoonkaarten’, waarop ‘publieke plekken’ zijn aangegeven. Het gaat dan niet alleen om stations en winkelcentra en dergelijke, maar ook om ‘goed eten’, een uitspanning, kermis, festivalterrein en zelfs nachtleven.

Genoemd moeten ook worden de zeer vele foto’s die zijn opgenomen, gemaakt door de onvolprezen Theo Baart. Zo moeilijk als de alledaagse leefwereld in woorden is te vangen, zo helder en duidelijk blijkt in die beelden te vangen. Ze zien er precies zo gewoon en vanzelfsprekend uit als zou moeten. Toch raak je er niet op gekeken, want bij nadere beschouwing is niets zo vreemd en interessant als het gewone en alledaagse.

Spijkernisse, Foto: Theo Baart

Bruisen of kabbelen
Eigenlijk is het boek een net zo doorwrocht als sympathiek pleidooi voor het serieus nemen van de groeikern en ze niet zoals gebruikelijk negatief te benaderen. Eigenlijk kozen de bedenkers al voor een negatieve invalshoek: voorkomen moest worden dat steden als Amsterdam, Utrecht en Den Haag te groot zouden worden, teveel groot-stedelijke problemen zouden ontwikkelen en voort zouden woekeren in het landschap. Hoe het wel moest, wisten ze eigenlijk ook niet, ‘gebundelde deconcentratie’ heette het, nogal paradoxaal. En paradoxaal zijn de groeikernen gebleven: het zijn geen steden en geen woonwijken.

Die dubbelzinnigheid is geen zwakte, maar juist de kracht van deze steden. Stedelijkheid en landelijkheid gaan hier smakelijk samen als azijn en olie in een heerlijke vinaigrette. Cultuurcritici lijken de groeikernen echter te willen dwingen tot een keus. De bestuurders gaan daar al te graag in mee, met ambitieuze plannen vol ‘dynamiek’ en ‘vitaliteit’ – we zagen zowel in Nieuwegein als in Houten, dus op steenworp afstand van elkaar, een prachtig theater. Het lijkt me een grote vergissing te willen dat steden als Houten en Nieuwegein gaan ‘bruisen’. Ze moeten doen waar ze goed in zijn en kalm voortkabbelen.

Foto boven: Houten

Alle foto’s in het artikel zijn gemaakt door Theo Baart, uit Atlas nieuwe steden

GroeikernenHoutennieuw kapitaalNieuwegeinPurmerendStedenbouw

Pieter Hoexum Filosoof en publicist

Over de auteur

Van Pieter Hoexum (Meppel, 1968) verscheen vorig jaar Kleine filosofie van het rijtjeshuis (Uitgeverij AtlasContact, 2014). Hij studeerde filosofie, was boekverkoper en is sinds 2001 schrijver aan huis. In 2001 won hij de Jan Hanlo Essayprijs Klein, in 2003 verscheen van hem het boek Gedenk te sterven. De dood en de filosofen. Hij publiceert regelmatig artikelen over filosofische onderwerpen en over wonen en stedenbouw in onder andere Trouw, De Groene Amsterdammer en Filosofie Magazine. Hij werkt momenteel aan een nieuw boek, over thuis als plek voor alledaagsheid, met als werktitel Doen alsof je thuis bent. Meer informatie is ook te vinden op zijn website.



Ook interessant:

Publieke welvaart

Simon Franke en Wouter Veldhuis

Ruimte voor de toekomst van werk

Freek Liebrand

Werken aan de productieve stad

Kris Oosting