Stedelijke vernieuwing als bijvangst

03 april 2012  /  Olof van de Wal

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Van alle bedrijven die je midden in een stad zou willen hebben hoort een autosloopbedrijf tot de minst waarschijnlijke. Zo’n bedrijf neemt veel ruimte in, veroorzaakt nogal wat overlast, is slecht voor het milieu en dan hebben we het maar niet over het ‘volk’ dat het aantrekt. Kortom, dat soort bedrijven heeft een slechte pers en hoort niet in een woonwijk. Zou je denken.

En dan is er opeens een ondernemer in de Haagse wijk Transvaal. Jongste telg van een familiebedrijf dat al generaties lang auto’s demonteert. Een bedrijf dat, zoals dat gaat, zijn beste tijd gehad had. En deze ondernemer vraagt zich af hoe hij verder moet. Moet hij een plek buiten de stad zoeken, waar hij ongestoord kan groeien en zich niet druk hoeft te maken over wat zijn omgeving van hem vindt – of blijft hij? Wat hij doet is interessant: hij laat een onderzoek uitvoeren naar de meest duurzame oplossing. En die is: in de stad blijven. Complete auto’s de stad uitrijden en dan ontmantelen is op veel fronten minder duurzaam dan de auto’s in de stad te ontmantelen en de onderdelen verzameld in containers de stad uit te rijden. Het scheelt in het bijzonder aanmerkelijk in overlastgevende en vervuilende ritten van vrachtwagens in de stad. Hij besluit te blijven.

De stad máken is niet meer vanzelfsprekend.. Het gaat nu over stad zíjn

Vervolgens realiseert deze ondernemer zich dat hij werknemers nodig heeft, die geschoold zijn in een duurzame manier van werken. Dus maakt hij van zijn bedrijf een expertisecentrum en zoekt hij coalities met opleidingen: inmiddels biedt hij voor leerlingen van zeven scholen in Den Haag een stageplek

Middelmaat
Wat we hier zien is volgens mij de toekomst van de stedelijke vernieuwing. Het zou, in alle stilte, wel eens een voorbeeld kunnen zijn van de belangrijkste innovatie op dit gebied. Pauline Meurs, die als lid van de WRR nadenkt over innovatie, hoorde ik op een bijeenkomst zeggen dat wij in Nederland niet kunnen innoveren, wij reorganiseren slechts. En dat is ook het gevoel dat mij wel eens bekruipt als ik terugblik op ruim veertig jaar sleutelen aan de stad, van stadsvernieuwing tot stedelijke vernieuwing. We hebben veel bereikt, uiteraard, er is veel veranderd, maar we hebben vooral veel gereorganiseerd. Dat maakt dit voorbeeld van de autosloper als wijkontwikkelaar zo interessant; de stedelijke vernieuwing was niet zijn doel, en de reorganisatie ervan nog minder. Stedelijke vernieuwing was slechts de bijvangst van een initiatief om kansen in de directe omgeving maximaal te benutten.

Foto: Piet Korporaal (KEI)

De vraag die ik bij KEI regelmatig tegenkom – we zijn niet voor niets een kenniscentrum stedelijke vernieuwing – is: ‘Hoe moet dat straks, stedelijk vernieuwen zonder subsidies?’ We hebben er zelfs een denktank voor ingericht. Zoals het hoort hebben wij van die denktank direct te horen gekregen dat deze vraag niet relevant is. Waar het echt om gaat is de vraag hoe initiatieven om kansen te verzilveren in buurten, wijken, steden, dorpen zelfs, de ruimte krijgen. Stedelijke vernieuwing heeft zich sinds de late jaren negentig gericht op het vitaal maken van wijken en steden, en heeft daar een onderliggende opdracht in meegekregen om het gemiddelde te bereiken (in veiligheid, leefbaarheid, participatie et cetera). Hoe kan de middelmaat, zo vroeg de denktank zich af, een maatstaf voor vitaliteit zijn?

Initiatiefnemers
Stedelijke vernieuwing tot nu toe paste in een traditie van maken. Van stad maken, vooral, met een stevige planning om dat te ondersteunen. Die vernieuwing heeft veel te danken aan rijkssubsidie: het ISV als aanjager voor investeringen. Maar zij heeft vooral veel baat gehad bij de groei die Nederland sinds de Tweede Wereldoorlog heeft doorgemaakt: van de economie, van de levensstandaard en van de bevolking. Inmiddels is duidelijk dat die groei niet meer vanzelfsprekend is. Per regio en binnen regio’s zijn groei, stabilisatie en krimp in verschillende mate te vinden. En daarmee is ook stad máken niet meer vanzelfsprekend.. Het gaat nu over stad zíjn. En het zou wel eens zo kunnen zijn dat degenen die zijn getraind in het maken van de stad tegen de grenzen van hun talenten aanlopen; als stedelijke vernieuwing bijvangst wordt, waar zijn zij dan goed in?

Vernieuwen zal anders moeten. Grote programma’s waarin hele wijken integraal aangepakt worden zullen plaats moeten maken voor een strategie waarin verschillende initiatiefnemers de ruimte krijgen om voorstellen te doen en te realiseren: stedelijke vernieuwing op uitnodiging. Iedere partij met een belang wordt uitgenodigd, uitgedaagd zelfs, om een voorstel te doen, niet het minst de bewoners en ondernemers die er wonen en werken. Daarvoor zal veel moeten veranderen. Het belangrijkste is, dat er een klimaat zal moeten komen waarin het vanzelfsprekend is dat deze initiatieven opkomen, een klimaat dat uitnodigt.

We mogen van de overheid verwachten dat zij de middelen die ze nog heeft strategisch inzet. Niet meer een politiek van verdelende rechtvaardigheid voeren, en ook niet meer de gemiddelden als wenkend perspectief benoemen, maar scherp kiezen op wat de meeste waarde oplevert. En vooral mogen we van ze verwachten dat ze een klimaat garandeert waarin een voortdurende uitnodiging tot het nemen van initiatieven gedaan wordt. Aldus de denktank. En dan kan er soms ook een partycrasher zijn, zoals die autosloper, die zichzelf uitnodigt en daarmee veel meer bereikt dan menigeen voor mogelijk hield.

Stedelijke vernieuwing is dood, leve de stedelijke vernieuwing!

Foto boven: Piet Korporaal (KEI)

Den Haagnieuw kapitaalWoningcorporaties

Olof van de Wal Eigenaar Leefdestad

Over de auteur

Olof van de Wal is eigenaar van Leefdestad, een adviesbureau voor stedelijke transformatie. Voorheen was hij onder meer directeur van KEI, kenniscentrum stedelijke vernieuwing en lid van met management team van Platform31. (Foto: Femke Hoogland, Tot en met ontwerpen)



Ook interessant:

Nieuw Zicht op Leiden

Daphne Koenders

Column: Tegenstellingen - de blinde vlek van het ruimtelijk beleid

Hans Peter Benschop

Een fundament voor het verhaal van morgen

Jeroen Niemans