Op zoek naar de ideale speelplek

21 november 2011  /  Christine van Eerd

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Het speelplaatsenbeleid heeft veel weg van het parkeerplaatsenbeleid: cijfertjes, normen en maatstaven. Minimumeisen die automatisch het maximum worden. Belangrijk natuurlijk, want voor je het weet bouwen we een hele wijk vol en kunnen kinderen nergens meer terecht. Maar tegelijkertijd zijn die normen beklemmend en betuttelend. Zoveel vierkante meter, per zoveel kinderen, op zoveel loopafstand en vooral heel veilig. Reken uit, reserveer een stukje grond, zet er wat speeltuig neer uit de catalogus (laat de omwonenden vooral meekiezen) en klaar is Kees.

Maar dan? Dan blijkt dat veel van die speelplaatsjes helemaal niet gebruikt worden. Omdat er voor de kinderen niets te beleven is, omdat hun ouders geen tijd hebben mee te gaan en hun kinderen ook niet alleen op straat mogen, omdat kinderen vertier genoeg hebben thuis en op de naschoolse opvang. Zo moet het dus niet. Gelukkig waren de sprekers en deelnemers aan de studiedag Buiten spelen in de stad het daar wel over eens. Maar hoe dan wel? Een korte impressie van een inspirerende dag.

Recht op ruimte
De aftrap werd gedaan door promovenda Lianne Verstraten die een geschiedenis schetste van honderd jaar speeltuinen in Nederland. Van de eerste speeltuinvereniging in Amsterdam (1880) tot het verval van veel binnenstedelijke speelplaatsjes in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Veel aandacht daarbij voor de boost in het speeltuinbeleid in het naoorlogse Amsterdam; het succesverhaal van Aldo van Eijk. De babyboom, de nieuwe wijken en een nieuwe visie dat een kind recht heeft op een eigen ruimte in het stedelijk domein waren belangrijke succesfactoren. Plus de inzet van PvdA-wethouder De Roos, en de visie van Cornelis van Eesteren en Jakoba Mulder die de dienst Stadsontwikkeling bestierden. Dat er letterlijk ruimte was voor de relatief goedkope speelplaatsjes, die tevens makkelijk verplaatsbaar waren, was mooi meegenomen. In de nieuwbouwwijken werden de speelplaatsen in de planning meegenomen en in de oude wijken had de oorlog vele gaten geslagen die met speelplaatsen gevuld werden.

Kinderen aan een iglo van Aldo van Eijk, Osdorp 1963. Foto Cas Oorthuys.

Wipkip
Lia Karsten, professor aan de Universiteit van Amsterdam, nam het stokje over met een pleidooi voor verzoening van kind en stad. Na een periode van steeds verdere suburbanisatie zijn we nu in een fase waarbij gezinnen met kinderen weer kiezen voor de stad. Maar tijden zijn veranderd en daarom moeten de speelplaatsen ook anders. ‘Stop met al die beleidsplannen met berekeningen van speelruimte per doelgroep’, aldus Karsten. ‘Dat leidt tot te kleine plekjes met vreselijke wipkippen.’ Karstens denkt dat de tijd rijp is voor een nieuwe visie. Zij gelooft in een driedeling van speelplekken: dichtbij op de stoep voor het huis, iets verderop in een grote speeltuin waar veel te beleven is en je andere kinderen kunt ontmoeten en bij scholen en naschoolse opvang. De grotere speeltuin moet dan niet alleen inspirerend zijn voor de kinderen, ook hun ouders moeten er prettig kunnen toeven en aan de rand van de zandbak kunnen netwerken. Karstens illustreerde haar verhaal met beelden van succesvolle speelplekken in Amsterdam, New York en Berlijn. ‘Ik heb gekozen voor een optimistisch verhaal, de tijd is er rijp voor.’

De foto’s bij de lezing van Vania Stonner en Chris van de Hoef, medewerkers van de afdeling Ontwerp van stadsdeel Nieuw-West, tonen een veel pessimistischer beeld: veel kleine speelplekken (Nieuw-West heeft er zo’n 400), vaak een tikje verloederd en ook op een zonnige woensdagmiddag geen kind te bekennen. Dat moet anders vinden de ontwerpers, die benadrukten dat ze er als mens spraken en niet als ambtenaar. In hun visie bieden speeltuinen kansen om tegemoet te komen aan actuele problemen als vergrijzing, obesitas en klimaatveranderingen. Gecombineerde speeltuinen voor kinderen en ouderen, speeltuinen die de jeugd in beweging krijgen en speeltuinen met een functie in de wateropvang. Duurzaam speeltuinbeleid is in die zin levensloopbestendig én klimaatbestendig. Stonner en Van de Hoef noemen dit buitenplaatsen, waar je je thuis kunt voelen.

Pleisters
Gegrinnik in de zaal toen Jeannette Fich Jespersen, cultureel wetenschapper van het Deense KOMPAN Play Institute de geschiedenis van haar organisatie onthulde. KOMPAN is opgericht door Tom Lindhardt, de uitvinder van de wipkip! Dit speeltoestel dat in ontwerperskringen symbool is geworden voor foute speelplaatsjes, was het eerste interactieve speeltoestel dat reageert op je beweging. Fich Jespersen hield een vurig pleidooi voor buiten spelen als ideale manier om kinderen in beweging te krijgen. En dat kan ook op hedendaagse manieren. KOMPAN ontwikkelde samen met kinderen digitale buitenspeeltoestellen die de hedendaagse jeugd blijven boeien.

Allemaal mooi en prachtig, die speeltoestellen, maar Anne Koning van Jantje Beton gooit het over een heel andere boeg. Zij hield een pleidooi voor pleisters: hoe erg is het als kinderen vallen en een knie schaven? Laat kinderen spelen met stoepkrijt, in de bosjes, laat ze boomhutten bouwen en kuilen graven. Daarbij gaat het volgens Koning niet alleen over de fysieke ruimte maar vooral ook over de sociale ruimte: ouders zouden hun kinderen losser moeten laten. Jantje Beton onderzoekt de mogelijkheden voor speelwijken: wijken waar naast officiële speelplaatsen ook andere plekken zijn om te spelen en met veilige routes om van de ene naar de andere plek te komen. Er lopen pilots in Tilburg, Gouda, Den Helder en Leeuwarden.

Optimisme
De lezingen tijdens de studiedag waren telkens aanleiding voor veel reacties uit de zaal; vooral positieve bijval over de ideeën voor vernieuwing. Maar ook realistisch gemopper over regeltjes en procedures en de hand op de knip vanwege de crisis. Toch was de algemene teneur optimistisch: kijk wat er wél kan en zorg dat je je plannen klaar hebt als het economisch tij weer keert. Laten we hopen dat de deelnemers zich blijven vastbijten in dit onderwerp, zodat we binnen afzienbare tijd kunnen spelen op inspirerende plekken. En tot die tijd? Braakliggende terreinen zijn er genoeg, dus wat let ons?

De tentoonstelling De Speelse Stad van Aldo van Eijk is nog tot 1 februari 2012 te zien in het Van Eesterenmuseum. Bij de tentoonstelling is een fietstocht gemaakt langs inspirerende vernieuwde speelplekken in Amsterdam Nieuw-West. Deze is verkrijgbaar in het museum.

Foto boven: Speeltuin in Amsterdam Nieuw-West die toe is aan verandering. Foto Chris van de Hoef.

Amsterdamspelen

Christine van Eerd Zelfstandig tekstschrijver

Over de auteur

Christine van Eerd studeerde geschiedenis in Amsterdam. Vanaf 2003 heeft zij haar eigen tekstbureau. Ze schrijft over het brede gebied van maatschappelijke en stedelijke vernieuwing. Voor RUIMTEVOLK schrijft ze over middelgrote steden en energietransitie.



Ook interessant:

Nieuw Zicht op Leiden

Daphne Koenders

Column: Tegenstellingen - de blinde vlek van het ruimtelijk beleid

Hans Peter Benschop

Werklandschappen als speeltuin van de toekomst

Ana Luisa Moura