Fietsvriendelijkheid is graadmeter voor de moderne stad

20 mei 2011  /  Wessel Simons

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Architect Paul de Ruiter (1962) staat bekend als een duurzame bouwer. Hij is onder meer bekend van het hoofdkantoor van transavia.com en Martinair op Schiphol (Transport-gebouw) en het nieuwe TNT-hoofdkantoor in Hoofddorp. Binnenkort realiseert hij het Hotel Amstelkwartier in Amsterdam (300 kamers), wat hij samen met Mulderblauw Architecten ontwerpt. Hij staat nummer 73 in de duurzame top 100, de lijst die Trouw samenstelt van meest invloedrijke Nederlanders op het gebied van duurzaamheid.

Het kantoor van De Ruiter is gevestigd in een voormalige fabriekshal in het zuidwesten van Amsterdam. Hij heeft het gebouw in 2008 naar eigen zeggen een ‘extreme make-over’ gegeven. Het eerste dat bij binnenkomst opvalt is een koudewarmte installatie die centraal in de ontvangsthal staat. De installatie zorgt ervoor dat energie in de vorm van warmte of koude wordt opgeslagen in de bodem. De Ruiter heeft zijn eigen geld in de verbouwing gestoken, De Ruiter: “De bank gaf me geen lening om de installatie te plaatsen omdat ze niet zo de toegevoegde waarde er van in zagen. Vervolgens heb ik mijn eigen geld erin gestoken uit overtuiging een duurzaam gebouw te ontwikkelen. Door de uitstraling en de duurzaamheid van het gebouw is de huurprijs inmiddels veel hoger getaxeerd dan voorheen is aangenomen. Met als gevolg dat we nu een wachtlijst hebben van huurders die hier graag willen werken, omdat er weinig tot geen duurzame kantoren in Amsterdam te huur zijn. Ironisch hoe dynamisch de waardering van duurzaam vastgoed kan verlopen”.

De Ruiter Architecten, waar staat uw bureau voor?
De Ruiter: “We willen met dezelfde middelen een beter gebouw ontwerpen. Een gebouw moet een ziel hebben. Het moet mooi, duurzaam, verrassend en betaalbaar zijn. Herkenbaarheid van een gebouw is heel belangrijk, zodat een bedrijf zich daarmee kan identificeren. Als bureau proberen we te doorgronden hoe een opdrachtgever werkt en wat ze met het nieuwe gebouw willen bereiken. Daar gebruiken we de term ‘radicale dienstbaarheid’ voor. Dat wil zeggen: we willen de huisvestingsvraag en de duurzaamheidsvraag van de opdrachtgever overstijgen. Duurzame gebouwen zijn intelligente gebouwen, die zowel in technische als menselijke zin energie moeten geven.”

U bent al sinds de jaren tachtig bezig met milieu en duurzaamheid. Wanneer zijn naar uw idee deze thema’s populair geworden?
De Ruiter: “In 2007 is er naar mijn idee een omslagpunt gekomen in het denken over duurzaamheid en is het thema losgekomen van een politieke richting, of je links of rechts bent. Bij (grote) bedrijven is het bewustzijn ontstaan dat ze maatschappelijk verantwoord moeten ondernemen. Ze beseffen dat duurzaamheid geïntegreerd moet worden in hun bedrijfsvoering en hun gebouwen. Ook is er het besef gekomen dat er geld mee kan worden verdiend.”

Deze omslag heeft tot gevolg dat het bureau van De Ruiter krijgt om duurzame gebouwen te ontwerpen in de andere sectoren dan voorheen. Hij ontwerpt en bouwt duurzame kantoren, scholen, zorggebouwen, fabrieken, villa’s en hotels. Hierdoor hoeft De Ruiter niet te snijden in zijn personeelsbestand, in tegenstelling tot zijn collega-bureaus.

Impressie Hotel Amstelkwartier (bron: Architectenbureau Paul de Ruiter)

In hoeverre is het opdrachtgeverschap veranderd door deze omslag in duurzaamheidsdenken?
De Ruiter: “Het grote verschil is dat er niet meer voor de onbekende gebruiker gebouwd wordt. De gebruiker zit aan tafel bij het ontwerpproces, waardoor er heel specifiek naar de wens van de gebruiker wordt ontwikkeld. Het gevolg is dat er heel specifieke gebouwen worden gerealiseerd”.

Het nieuwe TNT-hoofdkantoor is media maart in gebruik genomen. Hoe ging de samenwerking met TNT als opdrachtgever?
De Ruiter: “Het was op het scherpst van de snede. TNT en Peter Bakker als bestuursvoorzitter in het bijzonder hebben extreem hoge eisen gesteld aan duurzaamheid, betaalbaarheid en ‘connectiviteit’. Met connectiviteit wordt bedoeld: het bevorderen van de samenwerking tussen werknemers. Terugkijkend is het een heel pragmatisch en betaalbaar gebouw geworden.”

De Ruiter pakt het voorbeeldmodel van het TNT-gebouw erbij. De Ruiter: “Er zit een ziel in dit gebouw. Vanuit de duurzaamheidseisen is het ontwerp ontstaan. Door het kantoorvolume rond het atrium te vouwen is er een compact en dus duurzaam gebouw ontstaan. Veel buitengevel is hiermee bespaard, wat energiebesparing tot gevolg heeft. (…) Achteraf is het tegen elkaar vouwen van de kantooruiteinden een Ei van Columbus geweest, ook voor de betaalbaarheid en de bereikte ‘connectiviteit’. De entree en het atrium zijn sterk met elkaar verbonden, waarbij trapsgewijs de terrassen de gebruikers uitnodigen om de trap te nemen en elkaar op de overlegverdieping te ontmoeten. Het resultaat is dat er meer dynamiek binnen zo’n organisatie ontstaat. Je kan zeggen dan het gebouw uiteindelijk ook het resultaat is van het bezielende opdrachtgeversschap van TNT met als boegbeeld Peter Bakker”.

Wat de gebruikers opvalt, is de grote hoeveelheid daglicht die het gebouw binnenkomt. Wat is uw kijk op daglicht?
De Ruiter: “Daglicht is gezond voor mensen. Ik geloof er echt in dat mensen er gelukkiger en productiever van worden. Ook dalen de elektriciteitskosten, omdat je minder kunstlicht nodig hebt.(…) Ik geloof op dit moment minder in het gebruik van zonnepanelen om elektriciteit op te wekken. Elektriciteit is een van de meest ingewikkelde dingen om duurzaam te genereren.”

U gelooft meer in de besparing van elektriciteit?
Ja, je kunt extreem veel besparen op elektriciteit. Dat zit hem in de kleine dingen om ons heen. Als ik een rondje hardloop in het Vondelpark met prachtig mooi weer, zie ik dat de lichten aan zijn. Maar als ik met de fiets ’s avonds in het pikkedonker in het park rijd, zijn alle lichten uit. Ongelooflijk! Blijkbaar is het een tijdsklok die niet geregeld wordt op daglicht. Waarschijnlijk moet er iemand aan een schijfje draaien en er met een autootje naartoe. Dat kan toch slimmer, zou je denken?” Hij wijst naar zijn smartphone: “Het zou toch mooi zijn als je automatisch op je telefoon een melding krijgt dat je de verwarming aan hebt laten staan en er niemand thuis is. Zal ik hem uitzetten? Druk op de knop, ja, geregeld!”

U heeft eerder aangegeven erg te geloven in functiemenging binnen een stad?
De Ruiter: “Ja, door functiemenging ontstaat er meer dynamiek in de wijken en is zal er minder leegstand zijn. Dat heeft ook op energetisch gebied voordelen. Gebouwen kunnen elkaar ‘aanvullen’: warmte die ontstaat door de koelingen van een supermarkt kan als warmte geleverd worden aan bovenliggende woningen. Dit soort toepassingen die ik op blokniveau zeker ontstaan”.

U bent een voorstander van de compacte stad?
De Ruiter: “De compacte stad is altijd efficiënter dan de niet-compacte stad. Neem de Zuidas als voorbeeld. Overdag werkt dat gebied goed. Maar ’s avonds staan de kantoren en de parkeerplekken leeg en gebeurt er niets. Als ‘inherente’ kritiek op de Zuidas hebben we de Zuidkas ontwikkeld in opdracht van de Rijksgebouwendienst. Het is een duurzaamheidsstudie geworden voor een fictief kantoor van duizend rijksambtenaren. Binnen het complex worden de functies (wonen, werken, onderwijs, parkeren, winkelen etc.) op blokniveau met elkaar gemengd. Met als doel om een zo hoog mogelijke score te halen op milieudoelstellingen. Het gevolg moet een autarkisch gebouw zijn waarin de kringlopen van afval, CO2, water en energie sluitend zijn.”

Compactheid gaat toch ook ten koste van de leefbaarheid?
De Ruiter: “Klopt, het staat op gespannen voet met leefbaarheid. Ik denk dat leefbaarheid één van de moeilijkste opgaven is van een compacte stad. Aan de andere kant moeten we reëel zijn in Nederland. Niet iedereen kan in een vrijstaand huis wonen met een tuin op het zuiden, daar hebben we hier de ruimte niet voor.”

Hoe gaan we dan om met onze mobiliteit?
De Ruiter: “Mobiliteit hangt samen met concepten als de compacte stad en leefbaarheid. Ik merkte het in mijn eigen straat wat voor invloed auto’s hebben op de leefbaarheid in een stad. In mijn straat werd het riool vervangen en gingen de auto’s tijdelijk weg. Met als gevolg dat de buurtkinderen hun huis uitkwamen en in het zand gingen spelen. Ouders kwamen ook naar buiten en raakten met andere ouders aan de praat. Je beseft je ineens: ‘Goh, wat zijn er toch veel kinderen in de buurt’. Er ontstond even een gevoel van buurt. Maar toen de weg weer dicht was, trokken mensen zich terug in hun huis. Je beseft dan wel dat de impact van de auto op de leefbaarheid van de stad enorm groot is.”

Ziet u toekomst in autovrije wijken?
De Ruiter: “Het is zeker aantrekkelijk. Ken je die wijk rondom het GWL-terrein bij het Westerpark? Het is geheel autovrij en enorm populair. Hier in Amsterdam zijn er genoeg mensen zonder auto, vanwege de parkeertarieven en de onmogelijkheid om ergens je auto kwijt te kunnen. (…) Mensen hebben zoiets van: ‘Ik kan toch in het centrum van de blijven wonen, mijn kinderen kunnen in deze wijk veilig buiten spelen. Ik maak wel gebruik van een huur – of leenauto, want een vaste auto is niet nodig omdat ik wel met de fiets naar het werk kan. Ik heb dus het idee dat mensen niet ongelukkiger worden om geen auto te hebben. De fietsvriendelijkheid van een stad zie ik dan ook als een mooie graadmeter voor een moderne stad”.

U heeft wel eens aangegeven als bureau niet verder te willen groeien. Hoe zien uw toekomstplannen eruit?
De Ruiter: “We krijgen veel publiciteit met ons werk voor het viersterren hotel Amstelkwartier en dat heeft tot buitenlandse interesse geleid. Het is zeker interessant om het in het buitenland te proberen, maar eerlijk gezegd vind ik het ook prettig om dicht bij mijn opdrachtgevers te zitten en zoveel mogelijk op de fiets te doen. Ik zie het bureau ook niet verder groeien, het is goed zo. Ik wil ook nog architect kunnen zijn in plaats van manager. Ik geloof dat dingen niet alsmaar lineair blijven groeien, maar dat in alles een optimum zit.”

Foto boven: Paul de Ruiter (foto: Fotostudio Voorhuis)

AmsterdamFietsen

Wessel Simons Freelance journalist/stadssocioloog

Over de auteur

Wessel Simons is freelance journalist en stadssocioloog en publiceert over actuele ontwikkelingen binnen de duurzame vastgoed - en energiemarkt. Dagelijks bericht hij op de websites www.energievastgoed.nl en www.energiebusiness.nl. Hij is dit jaar Responsive Media gestart (www.responsivemedia.nl).



Ook interessant:

Sociaaleconomisch beleid: wat kunnen provincies en gemeenten doen?

Maarten Allers

Verdichting vraagt om verrijkende participatie

Karin de Nijs, Marie Morel, Sandra Bos en Stan Majoor

Stel de energieopgave centraal in omgevingsbeleid

Jeroen Niemans