Ontwijken

16 februari 2011  /  Olof van de Wal

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Er is een soort professionele obesitas in de wijken. Dat is het gevoel dat me bekruipt na het lezen van het boek ‘De alledaagse en de geplande stad’. De wijk als plek waar je gewoon woont, waar je dagelijks leven zich afspeelt, is naar de achtergrond verdwenen. Het is nu vooral het domein geworden van sociale politiek, waar programma’s, projecten en agenda’s overheen gelegd worden.

Dit beschrijft Arnold Reijndorp in het afsluitende essay van de publicatie.  De discussie over het verschil tussen de stad van het ideaal (de geplande stad) en de stad van de weerbarstige werkelijkheid achtervolgt ons sinds het begin van de stedenbouw. Vooral omdat het genoemde verschil aanleiding is voor tegengestelde posities in een emotionele discussie: ergernis over de ‘beperkte blik’ van de mensen die met hun voeten in de modder staan, of over de ‘maakbaarheidsgedachte’ die alleen maar achter het bureau kan ontstaan. Terwijl, even opmerkelijk, in beide standpunten een even grote passie bestaat voor de stad en haar bewoners. Het is daarom prettig te lezen dat ook de schrijvers in het boek menen dat het denken in de tegenstelling alledaagse en geplande stad op zichzelf niet interessant is. Waar het om gaat is, hoe de verhouding tussen die twee werkelijkheden is, en hoe je ermee omgaat. Niet alleen het ideaal of de werkelijkheid is interessant, maar de manier waarop wij de werkelijkheid naar het ideaal buigen. Daar lijken de meeste problemen zich op te hopen. Of, anders gezegd, we doen het allemaal zelf.

In stadswijken ontstaat eerder een cumulatie van oplossingen dan van problemen.

Reijndorps verhaal is een sleuteltekst van het boek en absoluut een aanrader om te lezen, al zal niet iedereen het met zijn verhaal eens zijn. Hij doet er opmerkelijke uitspraken als: “De wijk is het resultaat van een sociaal-ruimtelijke politiek”, waarin bewoners en professionals “in een patstelling zijn gemanoeuvreerd”. Ook ziet hij in de stadswijken eerder een cumulatie van oplossingen dan problemen ontstaan.

Het heeft niet alleen te maken met de complexiteit van de maatschappelijke problematiek. De patstelling komt ook omdat die problematiek lastig in te passen is in de diversiteit aan instituties en professies. Obesitas dus, het gevolg van een te hoge prestatiedruk. Er zijn teveel professionals, die hun professionaliteit inzetten voor wat ze geacht worden te bereiken en niet voor wat er echt aan de hand is. Reijndorp – die zich ontpopt als een radicaal in vernieuwingsland – pleit voor het ont-wijken en daarmee depolitiseren van de stedelijke vernieuwing. En daarvoor is een nieuwe professional nodig, die ruimte maakt, maar niet zelf invult.

Arnhem, Malburgen (foto: Piet Korporaal)

Wat moet ik hiervan nu vinden?  Betekent dit het einde van het werken aan de  wijken, of je het nu wijkenaanpak, wijkgericht werken of zelfs wijkgestuurd werken moet noemen? Nee, dat geloof ik niet. Is het een pleidooi om alles maar op zijn beloop te laten? Nee, dat geloof ik ook niet. Wijken, en steden, blijven veranderen, en er is niets mis mee om daar ambities bij te hebben, om daar een visie op te hebben. Het gaat om de manier waarop, of liever, om de vraag of het middel bij het doel past. We zitten nu midden in een proces dat door Hans Karssenberg wordt gekarakteriseerd als een overgang van stad maken naar stad zijn. Van het schoonvegen van de lei naar het voortdurend en precies sleutelen. Het gaat er om de visie of ambitie bij een wijk beter te doen aansluiten bij de verandering die er al gaande is.

Die stap, van stad maken naar stad zijn, is voorlopig nog lastig. Laat ik het voorbeeld nemen van Den Haag. Ik neem dat voorbeeld omdat ik onlangs het bericht voorbij zag komen dat deze stad de Schilderswijk gaat herstructureren om de integratie te bevorderen. Dat vond ik opmerkelijk, dus ik ben me gaan verdiepen in de nieuwe integratievisie van de stad. Die is ambitieus. Ze richt zich met name op de zaken waar nog een opgave ligt, op dat wat niet goed gaat, dus. Overigens nadrukkelijk vanuit de opvatting dat economisch zelfstandige en maatschappelijk actieve migranten een aanwinst voor de stad zijn. De ambitie zit vooral in de resultaten die de stad wil boeken en de overtuiging die zij uitstraalt over het tempo waarin dat gebeurt – het is afgelopen met de vrijblijvendheid, kopten enkele kranten. Het college reageert met deze visie nadrukkelijk op de veranderingen die het in de stad waarneemt. Los van hoe je hierin staat, dit heeft alles te maken met hoe Den Haag meer en beter een stad kan zijn.

Mijn twijfel komt bij de verbinding met de herstructurering van de Schilderswijk. Ik zie de problematiek. De wijk heeft in de afgelopen twintig jaar te maken gehad met grote vernieuwingsgolven. Qua integratie zijn die in ieder geval niet succesvol gebleken. Wie enigszins succes heeft verlaat de wijk. Maar in de oplossing, het stevig herstructureren en differentiëren wordt de patstelling tussen bewoner en professional wel heel rigoureus doorbroken – dit heeft toch meer met stad maken van doen. De vragen die ik me dan direct stel zijn: hoeveel succesvolle voorbeelden van integratie door differentiatie kennen we eigenlijk? Hoe zit het met de schaal en het tempo waarin dat moet gebeuren? Als de wijk een doorstromingswijk is, moet je die als kwetsbaar kwalificeren, of biedt deze wijk juist kansen? En: passen oplossing en probleem goed bij elkaar?

Van stad maken naar stad zijn –er zit een spanning tussen, die geladen is met belangen en daarom vaak weerbarstig en soms pijnlijk is. En juist daarom kan ik me veel voorstellen bij wat Reijndorp bijna hartstochtelijk schrijft in zijn pleidooi om de druk van de wijken af te halen.

Foto boven: Zaanstad, Zaandam-Zuid (foto: Piet Korporaal)

Den HaagWoningcorporaties

Olof van de Wal Eigenaar Leefdestad

Over de auteur

Olof van de Wal is eigenaar van Leefdestad, een adviesbureau voor stedelijke transformatie. Voorheen was hij onder meer directeur van KEI, kenniscentrum stedelijke vernieuwing en lid van met management team van Platform31. (Foto: Femke Hoogland, Tot en met ontwerpen)



Ook interessant:

Nieuw perspectief voor Parkstad

Anne Seghers en Kris Oosting

Werklandschappen als speeltuin van de toekomst

Ana Luisa Moura

Het publiek domein als grote gelijkmaker

Anne Seghers en Sjors de Vries