File bij de wipkip

30 januari 2011  /  Merel Heijke en Stella Blom

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

In Nederland wordt in tegenstelling tot wat iedereen dacht volop gebruik gemaakt van speeltuinen, dat blijkt uit recent onderzoek in opdracht van NUSO. NUSO is de landelijke organisatie voor speeltuinwerk en jeugdrecreatie. Vinex-wijkbewoners moeten echter genoegen nemen met een wipkip en een klimrek.

De  800 speeltuinen, die Nederland rijk is, trekken jaarlijks zo’n 11,5 miljoen bezoekers. Speeltuinen dragen bij aan de leefbaarheid van de buurt, de gezondheid van bewoners en aan de sociale samenhang. Kortom een gat in de markt voor gemeenten. In kinderrijke Vinexwijken zijn speeltuinen op één hand te tellen. Gangbaar daar zijn speelvoorzieningen per blok, meestal bestaand uit een wipkip in combinatie met een klimrek. Waarom? Omdat het vlakbij huis is, en dat is gemakkelijk voor de ouders. Speeltuinen lijken in de optiek van projectontwikkelaars en gemeenten iets van vroeger tijden. Vinexwijkbewoners zien dit zelf echter anders.

Enkele jaren terug kaartte Toine Heijmans, inwoner van de Amsterdamse Vinex-wijk IJburg en auteur van La Vie Vinex, de sfeer van de wijk en het gemis van een speeltuin reeds aan. In de blog van de Volkskrant stelt hij: Mijn wijk is meer dan een toevallige plek om te wonen, meer dan een vluchtplaats voor jonge gezinnen die ruimte nodig hebben. Er is leven hier. Ook de Vinex kan geborgen zijn, vertrouwd, warm, mooi en dichtbij – al (…)  geeft de strakke architectuur er geen aanleiding toe.” Er is “te weinig groen, te weinig scholen, en te veel steen”. Zijn kinderen kunnen makkelijk bij hun vriendjes aanbellen om te gaan spelen, maar zij missen een echte speelplaats.

Bewoners nemen heft in eigen handen
Bewoners van de Amsterdamse Vinex-wijk IJburg hebben ruim een jaar geleden eerste stappen ondernomen om een speeltuin op te zetten in hun wijk. Bewoner Marc Jacobs is één van de initiatiefnemers. Op mooie dagen staan er files voor de wipkip op IJburg, aldus Jacobs. Ouders zien er hun kinderen echter graag spelen op een veilige plek, niet omringd door geparkeerde auto’s, maar met een hek, niet van beton, maar enigszins valvriendelijk. Daarbij ook rekening houdend met verschillende leeftijden. Een centraal theehuis kan wellicht leeftijden scheiden, en de ouders juist bij elkaar brengen om zo ontspannen tijd in de speeltuin door te brengen.

Het stadsdeel staat op zich welwillend tegenover de plannen, maar voor hen zijn de kosten die het project met zich meebrengt een heikel punt. Het punt waar het nu om draait is de locatie, de grond. Grond = geld als die grond bebouwd/geëxploiteerd kan worden. De grond is nu bestemd voor bebouwing; een speeltuin brengt niet direct geld in het laatje. Ondertussen sleept het proces in IJburg zich nu ruim anderhalf jaar voort. “Wij zijn er klaar voor. Als we een plek hebben en vergunning dan timmeren we zelf wel wat,” benadrukt Jacobs.

Speeltuinen zorgen voor sociale samenhang in de wijk
Sociale samenhang is een issue in onze huidige samenleving. Wat zou er nou beter zijn voor de nieuwe wijken als wijkbewoners (jonge ouders) samen in de vorm van een speeltuinvereniging aan de slag gaan en inderdaad een nieuwe speeltuin realiseren en vervolgens samen beheren?

Echter, “het idee dat de aanwezigheid van specifieke jeugdvoorzieningen de aantrekkelijkheid van een woonplaats vergroten houdt weinig gemeenten bezig”, zo leert een rondgang langs gemeenten. De aanleg van voorzieningen (winkels, speelplekken, maar ook openbaar vervoer stops) start(te) in Vinex-wijken vaak pas nadat de inwoners er al lang en breed woonden. Speelvoorzieningen alsook groenvoorzieningen behoren daarbij tot een categorie elementen in een wijk die in de praktijk al snel ingewisseld wordt voor andere aspecten.

Gemeenten missen prachtkansen
Het burgerinitiatief dat in 2009 in de Vinexwijk IJburg startte, illustreert de afhankelijkheid van bewoners van de gemeente. Menig initiatief strandt door de logheid van de gemeente. Het NUSO steunt de initiatiefnemer in hun lobby. Rolf Oosterbaan, directeur van het NUSO, de landelijke organisatie voor speeltuinwerk en jeugdrecreatie, verwoordt het als volgt: “Het is lastig door de regelgeving heen te breken. Idealiter stimuleert de gemeente initiatieven van bewoners om de wijk samen leefbaar te maken,om daarmee ruimte voor kinderen en jongeren te scheppen en samenwerking tussen ouders te creëren. Nu is het een gedoe om iets te ondernemen. Iedereen wacht op iedereen en zo worden prachtkansen voor speelruimte en zelfwerkzame ouders/buurtbewoners gemist.”

Vier jaar gelden is tevergeefs geprobeerd in de wet vast te laten leggen dat gemeenten minimaal 3 procent van de buitenruimte als speelruimte moeten inrichten. Een norm ontwikkeld door NUSO en Jantje Beton. Dat initiatief heeft het niet gehaald. Wel heeft het (voormalige) Ministerie van VROM de 3 procent-norm in 2006 als richtlijn in een beleidsbrief aanbevolen aan alle gemeenten. Gemeentes zijn op de hoogte van de norm, maar slechts enkelen geven er gehoor aan. Veelal geraakt de speelplek in onderhandelingen een ondergeschoven kindje en worden opties die direct geld opleveren (lees appartementen met parkeergelegenheid) geïmplementeerd.

Gemeenten, benut het gat in de markt!
Het gemeentelijk speelruimtebeleid en de wensen van de bevolking in Vinex-wijken lopen duidelijk uiteen. De wipkip op de straathoek voldoet niet, bewoners vallen daarom terug op hun oude wijk  in de binnenstad. De fysieke implementatie is lastig; de sociale functie van de speeltuin(vereniging) wordt over het hoofd gezien. Hier ligt een gat in de markt voor de gemeente. Maar vooralsnog lijken financiële perikelen op korte termijn en tekentafel taferelen het te winnen.

AmsterdamSociale cohesieVinex

Merel Heijke Programma manager

Over de auteur

Merel Heijke is afgestudeerd in de masteropleiding International Development Studies en was in 2010 onderzoeker bij DSP-groep. Ze werkt nu bij IKV Pax Christi.

Stella Blom Beleidsonderzoeker

Over de auteur

Stella Blom werkt als beleidsonderzoeker en adviseur sociale en ruimtelijke vraagstukken bij onderzoeks- en adviesbureau DSP-groep.



Ook interessant:

Nieuw Zicht op Leiden

Daphne Koenders

De ontluikende kracht van middelgroot

Anne Seghers

Het publiek domein als grote gelijkmaker

Anne Seghers en Sjors de Vries