'Creatieve stad moet eigenwaarde meetbaar maken'

12 november 2010  /  Paul van Soomeren

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Steden zetten al jaren alles op alles om zich te profileren als creatieve stad met een cultureel aantrekkelijk klimaat. De ontwikkeling van creatieve industrie en broedplaatsen, die als aanjager van de stad zouden moeten fungeren, staat als speerpunt zowat op elke gemeentelijke agenda. RUIMTEVOLK organiseerde 21 september een bijeenkomst over de vraag wat the ‘Creative City’ onze steden gebracht? Heeft het concept de beloofde ‘waarde’ gecreëerd? En wie profiteert ervan? Een provocerende en corrigerende slotbeschouwing.

Laten we nu eens nuchter kijken wat de creatieve wedloop ons gebracht heeft. De definities zoals die gebruikt worden door goeroes als Richard Florida en Charles Landry hebben een hoog luchtballon gehalte. Neem bijvoorbeeld Landry die een creatieve stad definieert als ‘a place where people can think, plan and act with imagination’. Heerlijke OMO-wasmiddel-taal. OMO wast schoon, helder en fris. Dank je de koekoek. Ooit een wasmiddel gezien dat smerig, troebel en stinkend wast? Ooit een stad gezien waar mensen niet kunnen denken, plannen en handelen met verbeelding? Al dit soort geklets over creatieve steden is te breed, te hoog en heeft nauwelijks nog met de praktijk te maken. Het resultaat is dat op enig moment de ballon knapt.

Vreemd genoeg heeft het concept ‘creatieve steden’ tot op heden nog steeds de plek van ‘zondagskind’ in de bestuurlijke discussies. Nederlandse bestuurders geloven echt in creatieve steden. Ze geloven oprecht dat als je honderd creatieven in één gebouw zet, er spontaan een creatieve kernfusie tot stand komt, met veel onderling contact, interactie en dynamiek. Ze rekenen zich rijk; één plus één wordt vanzelf drie in hun visie waarbij de winst vooral zou zitten in de uitstralingseffecten op ‘de wijk en buurt’.

Maar werkt het ook zo? Dat is niet mijn ervaring. Zet creatieven bij elkaar en dan krijg je in ieder geval ook heel veel ruzie, gedoe, gezeur en gezeik. Creatieven zijn net mensen. Ze doen prachtige dingen en soms maken ze er – net als iedereen – een zooitje van. Wat daarnaast altijd vergeten wordt, is dat creatieve broedplaatsen zich in de tijd ontwikkelen. Na de eerste creatieve gezamenlijke start, zie je vaak dat ieder zich in zijn eigen ruimte opsluit en gewoon lekker aan de slag gaat. Niks op tegen, maar als je wilt dat een creatieve broedplaats iets voor de buurt, wijk of stad betekent dan is een stok achter de deur geen gek idee.

Impressie van de bijeenkomst

Ik voel daarom wel wat voor het Beehive-principe waarbij iedere creatieve broedplaats tenminste twee uur per week iets moois en goeds moet doen voor de buurt, wijk, stad. Een wat ouderwets paternalistisch ‘voor wat, hoort wat-principe’. Sowieso mag de sector der creatieven wel eens wat harder zijn nut en opbrengsten onder de aandacht brengen. We denken nog wel eens dat iedereen overtuigd is van ons nut, dat ’ze’ niet zonder ons kunnen. We zijn misschien te veel verwend door Florida en Landry.

In mijn visie moet je als creatieve industrie gewoon de vraag kunnen beantwoorden ‘wat levert het op’? Een woningcorporatie of stadsbestuur staat steeds weer voor de keuze ‘zet ik hier in deze buurt een bakker neer, of een broedplaats’. Democratie vereist openheid, meetbaarheid en op basis daarvan ook ‘afrekenen’. Bakker of broedplaats; het is de ultieme politieke keuze. De creatieve industrie moet dan de meerwaarde kunnen aantonen van waardencreatie en niet alleen het verhaal vertellen van waardecreatie. Waarde – en waarden creatie; het zijn verschillende dingen.

Bij waardecreatie gaat het om de poen, de economie en Dagobert Duck. Er moet sprake zijn van een blijvende monetaire verandering. Je stopt er wat in, er wordt waarde aan toegevoegd en er komt vervolgens meer uit. Denk als makkelijk voorbeeld even aan een broedplaats. Er gaan mensen, middelen en geld in van de gemeenschap, of van een corporatie en uiteindelijk moet daar dan meer uitkomen. Dat ‘meer’ is de toegevoegde waarde. Dat is meetbaar te maken door bijvoorbeeld een kosten-baten analyse. In modieus jargon tegenwoordig ook wel een MKBA genoemd: een Maatschappelijke Kosten en Baten Analyse. Je kunt het ook meten door bijvoorbeeld de buurt of stadbewoners te vragen ‘wat is het je waard’. Met die ‘willingness to pay’ kan je uitrekenen wat mensen over hebben voor een broedplaats in hun wijk, een bioscoop, of een bakker. Helaas zijn er nog geen echt goede voorbeelden van harde analyses of berekeningen van creatieve broedplaatsen.

Maar hoe zit het dan met waardencreatie? Een van de sprekers vanmiddag formuleerde het als volgt: “Kunstenaars creëren waardevolle ervaringen.” Met dat begrip ‘waardevol’ zitten we alleen nog steeds aan de borreltafel van de economen. Het begrip ‘ervaringen’ brengt ons verder. Een echte ‘ervaring’ heeft vaak tot gevolg dat je ergens heel anders over gaat denken, dat je ‘waarden’ letterlijk veranderen. Net zoals er economisch van een monetaire verandering sprake kan zijn – meer geld is meer waarde – zijn er kennelijk ook sociale of sociaal-psychologische veranderingen mogelijk.

Een makkelijk voorbeeld: je zit in een zaal en krijgt van een kunstenaar ‘iets’over je uitgestort en dat ‘iets’ raakt je zo dat je echt anders gaat denken; dat je waarden orientatie verandert. Er is dan sprake van toegevoegde waarden; een ‘waarden veranderende ervaring’. En ook dat kan je meetbaar maken. Je kunt mensen gewoon vragen of ze veranderd zijn, verbeterd, gelouterd. Je kunt ook hier weer met de willingness to pay approach uit de voeten: ‘wat is/was het je waard’. Zo kan je dus de waarde van waarden meten (Hallo bent u daar nog?). Nu vind ik als sociaal wetenschappelijk onderzoeker ‘vragen naar verandering’ nooit zo sterk. Ik kijk liever naar gedrag. Maar ook dat kan je onderzoeken: gedraagt iemand zich anders na de waardenvolle ervaring die werd opgedaan, doorgemaakt, aangekocht?

Wat is nu de crux van dit verhaal? Creativiteit is in sommige ogen een middel voor de oplossing van concrete sociale problemen. Dat kan, maar dan moet je dat ook aantoonbaar maken. Het gaat om waarde en waarden. Als kunstenaars en creatieven inderdaad waardevolle en waarden veranderende ervaringen creëren dan kan je en moet je dat meten. Als creatieve sector ben je aan de democratie verplicht om je eigen nut te laten zien.

Creatieve steden – en daarmee de creatieveling – hebben tot op heden de positie van een (door paps Florida en mams Landry verwend) zondagskind. Het thema van deze middag (‘de creatieveling als lijdend voorwerp’) is dan ook onzin. Creatieven lijden niet en zijn geen lijdend voorwerp. Althans nòg niet.

Want het klimaat wordt wel guur. Denk maar eens aan de anti-kraakwet, de bezuinigingen; u bent misschien wel gewoon een linkse hobby. Het wordt spoedig herfst, de bomen kleuren bruin en de bladeren gaan vallen. In dat geval zal je harder dan nu het geval is de economische waarde creatie moeten laten zien van wat je doet. En probeer tevens de waardencreatie scherper en helderder voor het voetlicht te krijgen.

Erfgoed

Paul van Soomeren Oprichter/directeur van DSP-groep

Over de auteur

Paul van Soomeren is oprichter/directeur van DSP-groep met kantoren in Amsterdam en Rotterdam. DSP-groep is een bureau voor sociaal wetenschappelijk onderzoek, advies en project/interim management. Daarnaast was Paul vele jaren bestuursvoorzitter van de broedplaats avant la lettre: Werkgebouw het Veem in Amsterdam.



Ook interessant:

Terloopse contacten voor een veerkrachtige stad

Flip Krabbendam en Henriëtta Joosten

Publieke welvaart

Simon Franke en Wouter Veldhuis

Een grootse traditie van maatwerk

Kris Oosting