De bitterzoete praktijk van bewonersparticipatie

07 september 2010  /  Judith Lekkerkerker

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

RUIMTEVOLK werd onlangs benaderd door de actiegroep Actiecomité Plein Allebé Ja. Dit naar aanleiding van de Prix de Rome, een prijsvraag voor jonge architecten, met als onderwerp dit jaar het Allebéplein in Amsterdam. De ontwerpen van de finalisten tonen volgens het actiecomité dat in een herontwerp voor het plein wensen van bewoners heel goed een plek kunnen krijgen. Iets wat in hun ogen bij het plan van het stadsdeel niet het geval is. RUIMTEVOLK dook in de casus van het plein en vroeg betrokkenen hoe bewonersparticipatie binnen stedelijke vernieuwing idealiter vorm zou moeten krijgen.

Een omstreden plan voor het Allebéplein
De eerste ideeën om het Allebeplein te vernieuwen stammen al uit 1985. Onrust en rellen op en rond het Allebéplein is in 2000 de aanleiding om eindelijk met de vernieuwing van het plein aan de slag te gaan. Dit leidt in 2002 tot een overeenkomst tussen twee ontwikkelaars en het stadsdeel. Datzelfde jaar wordt doormiddel van een tijdelijke investering de openbare ruimte heringericht, parkeren op het plein geïntroduceerd en een tijdelijke Lidl vestiging neergezet.  Daarnaast is de afspraak op korte termijn een plan te maken voor de herontwikkeling van het plein.  In 2005 komt de planvorming echter stil te liggen; het plan dat er ligt, blijkt financieel niet haalbaar. Tot opluchting van een aantal bewoners.

In de jaren daarna wordt het plan aangepast en worden ook andere partners gevonden om in het plein te investeren. Eind 2008 komt het stadsdeel met een ontwerp naar buiten.

Na jaren van weerstand besluiten bewoners van het August Allebéplein niet langer in de NEE-stand te blijven staan. Als ze echt invloed willen hebben op ontwikkeling van hun plein, moeten ze zich niet reactief opstellen, maar meedenkend. Actiecomité Allebé Ja wordt opgericht. Het actiecomité benadert het stadsdeel met de vraag in welke mate bewoners nog kunnen meedenken over het uiteindelijke plan voor het plein. Die invloed blijkt nihil te zijn.

Om die reden besluiten de bewoners vervolgens een alternatief plan voor het plein op te stellen samen met architect Hein de Haan van ProWest en stadssocioloog Thaddeus Müller. Buurtworkshops met maquettes en een enquête onder winkeliers volgen. De uitkomst: het plein moet in oppervlak behouden blijven, maar wel anders worden ingedeeld.

Met dit plan benadert het actiecomité het stadsdeel. Ze praten met ambtenaren, wethouders en de stadsdeelvoorzitter maar dit leidt niet tot overeenstemming. In reactie wordt aangegeven dat het plan van de bewoners niet haalbaar is. Projectontwikkelaars geven aan dat ze niet verder kunnen praten met het actiecomité.

Deze gang van zaken leidt ertoe dat het actiecomité meerdere WOB-verzoeken indient (Wet van Openbaarheid van Bestuur). Het comité wil de contracten inzien die het stadsdeel met ontwikkelaars heeft gesloten. De WOB-verzoeken worden door een onafhankelijke commissie ongegrond verklaard en ondanks het verzet vanuit de buurt stelt de stadsdeelraad begin 2010 het uitwerkingsplan voor het Allebéplein onomstotelijk vast.

Hoe het zou moeten – de bewoner
Martijn Rutte van Actiecomité Allebé Ja! vertelt deze geschiedenis licht verbitterd. Hoe ziet voor hem de ideale praktijk van bewonersparticipatie eruit? “In mijn optiek moeten bewonersgroepen als gelijkwaardige partners bij het proces worden betrokken. Zo’n model is echter alleen interessant als bewoners zichzelf daarvoor opgeven, zich werkelijk willen inzetten en ook bereid zijn compromissen te sluiten. Dit laatste geldt dan natuurlijk ook voor bestuurders.”

Volgens Rutte moeten bewonersgroepen dan wel gelijke middelen ter beschikking hebben. “Onafhankelijke ondersteuning, die verder gaat dan opbouwwerk. Dat zou ons zeker geholpen hebben in het onderbouwen van onze visie. Daarnaast moet er ook aan de bewonerskant nog veel werk worden verzet. In de praktijk is het lastig om de bewonerskant goed te organiseren. Soms is de interesse van bewoners maar van korte duur, of ze zijn pas geïnteresseerd als het eigenlijk al te laat is.”

artikel afbeelding
Architect Hein de Haan in gesprek met bewoners

Gevraagd naar zijn kijk op de gang van zaken vertelt voormalig gebiedsmanager van het Allebéplein, Guus Catau, dat in het geval van het Allebéplein anno 2009 geen sprake meer kan zijn van een compleet open planproces. Er is al een geschiedenis om rekening mee te houden. Volgens Catau zijn bij de aanpassing van het plan opmerkingen van bewoners zoveel mogelijk verwerkt.

Uiteindelijk ligt er nu dus een nieuw plan, waarin het plein maar iets kleiner wordt en waarvan hij schat dat 80 procent van de bewoners van Overtoomse Veld zich er in kan vinden. Dat is toch een mooi resultaat, aldus Catau. Het ontwerp voor de openbare ruimte moet nog uitgewerkt. In dit ontwerpproces ziet het stadsdeel een grote rol voor de verschillende gebruikersgroepen.

Hoe het zou moeten – het stadsdeel
Ook Guus Catau vraag ik hoe in zijn ogen de ideale praktijk van bewonersparticipatie eruit ziet. “Ik heb een voorkeur voor een open planproces, maar dit kan in stedelijke vernieuwing niet zonder initiatief van of in ieder geval samenwerking met vastgoedeigenaren. Een verder onmisbaar ingrediënt is daadkracht. Denk bijvoorbeeld aan de planvorming voor Roombeek in Enschede en de vernieuwing van de Staalmanpleinbuurt iets verderop in Amsterdam Nieuw-West.”
In het geval van Roombeek heeft de gemeente volgens Catau bewoners bij de planvorming betrokken en met daadkrachtig optreden zorg gedragen voor een snel proces. In het geval van de Staalmanpleinbuurt worden bewoners door de eigenaar van het vastgoed, woningcorporatie de Alliantie, bij de planvorming betrokken. “Het samen met bewoners opgestelde stedenbouwkundig plan is in relatief korte tijd vastgelegd.”
Catau vindt dat bewonersparticipatie niet gaat over het betrekken van een kleine groep van mensen maar dat breed en op verschillende manieren moet worden ingezet op het betrekken van belanghebbenden om representativiteit te waarborgen.

artikel afbeelding
Martijn Rutte van Actiecomité Plein Allebé Ja! (links) en bewonersadviseur Jaap Huurman

Dit voorbeeld laat zien hoe bitterzoet de praktijk van bewonersparticipatie kan zijn: twee partijen die in principe allebei de voorkeur geven aan een open planproces waarbij bewoners een grote rol spelen, blijken elkaar tijdens het proces helemaal niet te vinden. Zodra bewoners bij de planvorming worden betrokken, de planvorming vervolgens wordt stilgelegd en weer opnieuw wordt begonnen, komt er een kink in de kabel.

Hoe complexer de eigendomstructuur in een gebied, hoe groter het risico dat de planvorming een langdurig proces met tussentijdse hickups wordt. In dit soort gevallen zou je goed moeten overwegen op welke manier je bewoners betrekt. Worden in dit geval bewoners intensief betrokken, dan is daadkracht à la Roombeek de enige manier om te slagen.

Het lijkt moeilijk om in een eenmaal begonnen proces een nieuwe weg in te slaan. Is het een gebrek aan daadkracht? Misschien dat de door Maarten van Poelgeest aangekondigde bouwstop het roer weer om kan gooien. Als dit niet het geval is hoop ik voor het Allebéplein en haar gebruikers dat de strijdbijl begraven wordt en dat de samenwerking in planvorming voor de openbare ruimte op korte termijn vol energie van start gaat.

—-
Foto’s: Ellie Koomen.

Foto’s zijn genomen tijdens de landelijke minimanifestatie bewonersparticipatie, georganiseerd door Actiecomité Plein Allebé Ja!, ism Eigenwijks, Landelijk Samenwerkingsverband Aandachtswijken en Vereniging Vrienden van Ganzendijk. Foto geheel boven: Thijs van Bijsterveldt licht het plan toe dat hij in het kader van de Prix de Rome samen met Oana Rades heeft gemaakt voor het Allebéplein

Amsterdam

Judith Lekkerkerker

Over de auteur

Judith is adviseur, onderzoeker en schrijver op het gebied van stedelijke en regionale ontwikkeling.



Ook interessant:

Schipperen tussen grote opgaven en lokale oplossingen

Jeroen Niemans

Stel de energieopgave centraal in omgevingsbeleid

Jeroen Niemans

Werken aan de productieve stad

Kris Oosting