De stedenbouw is dood, lang leve de stedenbouw!

08 november 2009  /  Esther Juurlink

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Stedenbouwers, wat doen die eigenlijk? Een antwoord dat menig stedenbouwer zelf schuldig moet blijven. Zo bleek onlangs uit een bijeenkomst van de Beroepsvereniging voor Stedenbouwkundigen (BNSP). In een land met een roemrijk ontwerpverleden lijken de huidige erfgenamen de weg kwijt te zijn. “Bij ons maken de juristen de plannen.”

De stedenbouwers hebben het zwaar vandaag de dag. Het beeld bij de buitenwereld lijkt te zijn dat stedenbouw overbodig is, aldus Tjeerd de Boer, programmaleider Ruimte en Cultuur bij OC&W, in zijn toelichting tijdens het BNSP-congres van donderdag 22 oktober jongstleden over de staat van de stedenbouw. Maar niet alleen het vak, ook de stedenbouwer zelf is onzichtbaar geworden, zo schetste De Boer de contouren van de ‘crisis’ waarin de discipline zich bevindt.

artikel afbeelding

Zelf Hemel vraagt zich af waar de helden van de stedenbouw zijn gebleven (Foto: Eric van Nieuwland)

In het publieke debat maken architecten de dienst uit. Nederland kent rijksadviseurs voor infrastructuur, landschap en cultuurhistorie, maar niet voor de stedenbouw. “Je kunt thuis niet meer uitleggen wat voor werk je doet”, aldus De Boer. Zef Hemel, adjunct-directeur bij de Amsterdamse Dienst Ruimtelijk Ordening, denkt dat die onzichtbaarheid een direct gevolg is van de ontwikkelingen van het vak zelf. Steeds meer andere beroepsgroepen houden zich immers bezig met de inrichting van de stad. Van de waterstaatkundigen via de verkeerskundigen en de planologen zijn we nu bij de juristen aanbeland. “In mijn dienst maken de juristen de plannen. We eindigen allemaal bij de Raad van State.” De tweede fase van IJburg is door juristen getekend, aldus de planoloog. “De stedenbouwer denkt dat hij aan zet is, maar dat lukt niet meer. Het komt ook niet meer.”

In een eerdere nota beschreef het ministerie al de merkwaardige paradox: Terwijl onze architecten en stedenbouwers een internationaal gewaardeerd exportproduct zijn, groeit de onvrede over hoe Nederland er zelf uitziet. “Blijkbaar lukt het niet om het ontwerptalent zo in te zetten dat dit leidt tot een bevredigend, ruimtelijk resultaat”, aldus de nota.

Dus, wat nu?

OC&W heeft een aardig pakket van stimuleringsmaatregelen klaarliggen. Maar de sprekers op het congres benadrukken dat het ook vanuit de stedenbouwers zelf moet komen. Het is tijd voor ‘nieuw engagement’ en ‘nieuw vakmanschap’. Al met al lijkt het vooral een probleem in de beeldvorming. Hebben de stedenbouwers wellicht nieuwe helden nodig? Daadkrachtige voorbeeldfiguren die in de oer-Hollandse traditie van Lely en Berlage, de stedenbouw weer op de kaart zetten?

Zef Hemel denkt niet dat dit de oplossing is voor het imagoprobleem van de stedenbouwers. “Ikea heeft het goed begrepen. Design your own life. Iedereen is een designer. Plannen zijn 80 procent communicatie en 20 procent verbeelding. In die 20 procent ligt een mooie rol voor de stedenbouwer. Maar niet als held. Je moet iets geven, niet nemen.” Gert Urhahn, directeur en oprichter van het stedenbouwkundige adviesbureau Urhahn Urban Design schetst een beeld van de vele – inderdaad vaak niet zichtbare – rollen die je als stedenbouwer in kunt nemen. “Soms ben je rekenaar, tekenaar, onderzoeker, pionier. Dan weer verleider of moderator. Dit is afhankelijk van de aard van de opgave, de fase en de context.”

Dat die 20 procent van Hemel nog een zeer dankbare taak oplevert, blijkt uit de praktijkverhalen van andere deelnemers. Zo zijn daar Hilde Blank en Jeroen van Willigen, van de stedenbouwkundige bureaus BVR en De Zwarte hond, die een flinke peptalk houden over hoe stedenbouwers kunnen schakelen tussen schalen. Ruimtelijke, programmatische en culturele aspecten kunnen koppelen. Over hoe ze altijd kritisch geëngageerd moeten zijn, door zich af te vragen ‘waarom ben ik hier aan het werk?’ En als klap op de vuurpijl nieuwe ruimtelijke concepten kunnen – en mogen – bedenken. Wat een prachtig vak!

artikel afbeelding

Henk Ovink in gesprek met de dagvoorzitter (Foto: Eric van Nieuwland)

De timing voor een revival lijkt goed; zoveel aandacht voor de ruimtelijke inrichting van ons land is er in tijden niet meer geweest. Tjeerd de Boer voelt dat het tijd is voor een omslag. Ook de nationale directeur van Ruimtelijke Ordening Henk Ovink ziet de focus verschuiven. “De aandacht voor de stad en daarmee ook voor de stedenbouw groeit. Het zou zo maar kunnen dat we er de volgende keer een rijksadviseur voor de stad bijhebben.”

Tjerk Ruimschotel, kandidaat-voorzitter van de BNSP, pleit er ten slotte voor niet te veel af te bakenen. “Het gaat er niet om dat wij de stedenbouwers zijn en meer naar voren moeten treden als zodanig. We moeten juist verbindingen leggen. Niet uitsluiten, maar insluiten. Ik zou zelfs willen zeggen: hoe meer mensen zich met stedenbouw bezig houden, hoe beter.”

Foto boven: stemmen op een stelling van Tjeer de Boer (Foto: Eric van Nieuwland)

Stedenbouw

Esther Juurlink Communicatieadviseur

Over de auteur

Esther Juurlink is communicatie-adviseur bij De Wijde Blik in Delft en mede-initiatiefnemer van stichting RUIMTEVOLK.



Ook interessant:

Nieuw Zicht op Leiden

Daphne Koenders

Column: Tegenstellingen - de blinde vlek van het ruimtelijk beleid

Hans Peter Benschop

Sociaaleconomisch beleid: wat kunnen provincies en gemeenten doen?

Maarten Allers