Afval als bron van energie

15 juli 2008  /  Ferry van Kann

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Afval gebruiken als bron voor nieuwe energie lijkt de ultieme oplossing voor de steeds groter groeiende afvalberg wereldwijd. Opgeruimd staat netjes. Maar is dat wel zo? Wat betekent het gebruik van afval als voedingsbron voor energie voor de ruimtelijke inrichting van Nederland?

Onlangs bleek uit een onderzoek van het ministerie van VROM in 25 Europese landen, dat Europa op grote schaal afval ‘dumpt’ in ontwikkelingslanden. Tot wat voor excessen dat kan leiden, toont de affaire met het schip Probo Koala. Dit Griekse schip, destijds ingehuurd door handelsbedrijf Trafigura, wordt momenteel beschuldigd van het dumpen van tonnen giftig afval in Ivoorkust waardoor tientallen mensen gedood en honderden gewond zouden zijn geraakt door de verontreiniging.

De verwerking van afval stelt de samenleving dus voor een steeds grotere uitdaging, waarbij gezocht word naar alternatieve strategieën. Eén van deze alternatieve afvalverwerkingsprincipes is om afval aan te boren als een nieuwe energiebron. De toepassing van afval als energiebron heeft verschillende ruimtelijke consequenties.

Bij de centrale verbranding van afval komen in Nederland aanzienlijk hoeveelheden energie vrij. In 2004 produceerden de afvalverwerkende installaties (avi’s) samen voor zo’n 950.000 huishoudens aan elektriciteit en voor 270.000 huishoudens aan warmte. Dit laatste getal is een beetje teleurstellend en hangt vaak samen met de ruimtelijke inrichting. Niet zelden liggen afvalverwerkers in de periferie, ver van woonwijken. Een efficiënt gebruik van de warmte is dan niet altijd mogelijk.

De avi in het Drentse Wijster is hiervan een goed voorbeeld. Deze installatie is werkelijk gelegen ‘in the middle of nowhere’. Bij de geplande uitbreiding van de afgelegen installatie speelt de geringe kans op efficiënte afvalwarmteprojecten (zowel in energetische als economische termen) een belangrijke rol. Na uitbreiding kan de avi warmte leveren voor ongeveer 90.000 woningen. In de directe nabijheid, van belang voor een efficiënt warmtenet, zijn deze huizen echter niet in een hoge dichtheid te vinden. De plannen voor de bouw van een bio-ethanolfabriek op het bedrijventerrein in Wijster, die warmte van hoge temperatuur nodig heeft, worden dan ook enthousiast ontvangen door provincie en gemeente.

Als we afval als centrale energiebron willen gebruiken, moet goed over de locaties van avi’s worden nagedacht. Bestaande locaties moeten geschikt zijn voor toepassingen die om warmte vragen, zoals een bio-ethanolfabriek of een subtropisch zwembad. Ook moet afvalwarmte een belangrijke rol spelen bij de zoektocht naar nieuwe locaties. Kortom: afval, centrale verwerking, energie en ruimtelijke ordening kunnen op zich hand in hand gaan op weg naar een meer duurzaam energiesysteem.

Hergebruik
Afval met een geringere energie-intensiteit, dat bij voorkeur decentraal verwerkt wordt, is ruimtelijk zo mogelijk nog interessanter. Bij de verbranding van afval is het bijvoorbeeld mogelijk om de verbranding en productie van het gas op één plek te laten plaatsvinden. Maar het kan ook aantrekkelijk zijn om het afval op een plek te verzamelen en het elders te verbranden waar de elektriciteit en warmte kan worden geproduceerd.

De vergisting van biologisch afval – het gft-afval – tot biogas is een voorbeeld van afvalverwerking dat op meerdere locaties gebeurt. De vergisting vindt óf plaats op de plek waar het afval zich verzamelt – bijvoorbeeld de rioolwaterzuiveringsinstallatie – óf op de plek waar het afval wordt geproduceerd. De pulp- en paperindustrie, bierbrouwerijen, andere voedselverwerkende fabrieken, agrarische bedrijven en huishoudens zijn een goed voorbeeld  van vergisting van afval.

Bij de verbranding van biogas is warmtekrachtkoppeling overigens noodzakelijk. De gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte biedt kans op een veel hoger rendement vergeleken met alleen de productie van stroom (30 procent rendement, 70 procent verlies).

De keuze tussen deze twee opties hangt sterkt af van de ruimtelijke inrichting van een gebied. Landbouwbedrijven leveren 85 procent van het biogas. Hun soms sterk afgelegen ligging is voor de inzet van een warmtenet meestal een probleem. Dat pleit in die situaties er dan ook voor om de verbranding ergens anders uit te voeren.

Toch liggen er soms ook ‘onverwachte’ mogelijkheden in de buurt. Een voorbeeld is de co-vergistingsinstallatie (mest, energiemaïs en agrarische afvalproducten) van akkerbouwer Wollerich in Tweede-Exloërmond. Deze installatie produceert genoeg biogas voor groene stroom voor 2100 huishoudens, maar wat te doen met de vrijkomende warmte in het afgelegen Drents veendorp. De oplossing is dat een nabijgelegen pluimveehouder de warmte gebruikt om de stallen te verwarmen. Kortom, zelfs op het platteland zijn er kansen.

Uitdagingen
In de grotere en vooral meer geconcentreerde nederzettingen is het interessanter om de productie van alternatieve energie ter plekke te laten plaatsvinden. Industriële bedrijven en fabrieken liggen meestal aan de rand van dorpen en steden. Het winnen van biogas uit dit afval(water) kan op deze plaatsen gebeuren. Dit verandert nauwelijks het toch al zo industriële karakter van deze gebieden. Wel biedt het de mogelijkheid om op een groene manier te voorzien in (een deel van) de eigen elektriciteitsbehoefte. De uitdaging is vervolgens om een dorp, wijk, stad zo in te richten, dat ook nuttig gebruik gemaakt kan worden van de warmte.

Voor planologen betekent afval als nieuwe energiebron dat zij deze mogelijkheid zullen moeten meenemen bij de indeling van nieuwe gebieden. Ziekenhuizen, verpleegcentra, zwembaden, dierentuinen, scholen, tuinbouwkassen gebruiken allemaal veel energie voor verwarming. Om afval met zowel een lage als hoge verbrandingswaarde  als energiebron optimaal te kunnen gebruiken, is de ruimtelijke inrichting van een gebied doorslaggevend. De vrijkomende warmte moet gebruikt kunnen worden.

Plekken van afvalverzameling, vergisting, verbranding en gebruik van energie kunnen niet los van elkaar worden gezien op weg naar een meer duurzame samenleving. De uitdaging is dan ook om energie een warme plek te geven in het scala aan planologische beslissingen. Pas als ruimtelijke functies, hun ligging, dichtheden, energiebronnen en –infrastructuur samen worden benaderd, liggen er grote kansen voor een duurzaam energiesysteem. De inrichting van ons land bepaalt of we in staat zijn om de kwaliteit van energie (afval) optimaal te kunnen benutten. Hier ligt dus een schone taak voor de Nederlandse planologie.

Circulaire stadEnergieEnergietransitiePlatteland

Ferry van Kann Onderzoeker Rijksuniversiteit Groningen

Over de auteur

Ferry van Kann is werkzaam bij Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen aan de Rijksuniversiteit van Groningen



Ook interessant:

De stad heeft altijd vernieuwing nodig

Anita Blom

Een fundament voor het verhaal van morgen

Jeroen Niemans

Column: Tegenstellingen - de blinde vlek van het ruimtelijk beleid

Hans Peter Benschop