Nederlandse stad helft minder creatief dan Amerikaanse

10 december 2007  /  Jeroen Niemans

Dit artikel komt uit het RUIMTEVOLK archief (2007-2017)

Franc Faaij werkt bij de afdeling stadspromotie van de gemeente Utrecht. Zijn stad zou de creatiefste stad van Nederland zijn. Faaij heeft, gebaseerd op zijn afstudeeronderzoek Economische Geografie aan de Universiteit Utrecht, een ander beeld over de bijdrage van de creatieve klasse stad dan Richard Florida. RUIMTEVOLK redacteur Jeroen Niemans sprak met hem.

Wat is het nu ook weer wat de creatieve klasse zo aantrekt in de stad volgens Florida?
“Volgens Florida vestigen ‘creatievelingen’ zich in een stad omdat het een prettige plek is om te leven, wonen en werken. Karakteristieken van de plaats – met name de tolerantie naar anderen of andersdenkenden – bepalen wat voor een mensen er komen werken en wonen. Drie vragen zijn hierbij van belang: What’s there? (bebouwde- en natuurlijke omgeving), Who’s there? (verschillende bevolkingsgroepen, interactie, creativiteit) en What’s going on? (levendigheid van het straatleven).”

“Bij de keuzes die deze ‘creatievelingen’ maken is lifestyle belangrijker dan werk. Werk en vrije tijd zijn voor hen niet langer gescheiden, maar lopen in elkaar over. Mensen gedragen zich hierdoor eigenlijk steeds meer als toerist in eigen stad en een divers nachtleven is bijvoorbeeld een zeer belangrijke factor. Ook diversiteit speelt een belangrijke rol om te kiezen voor een bepaalde stad. Bij diversiteit gaat het hierbij om dingen als openheid en tolerantie van de bevolking tegenover etniciteit en seksuele oriëntatie. Diversiteit zorgt voor ‘opwinding’ en ‘energie’ en zijn volgens Florida bepalend voor de keuze. Een andere belangrijke factor is of een stad authentiek is. Met andere woorden, een stad moet unieke kwaliteiten hebben die onderscheidend zijn ten opzichte van andere steden. Een stad moet naast historische gebouwen beschikken over organische en historisch gegroeide stadswijken en een groot cultureel aanbod hebben die een unieke en originele ervaring bieden. Hierbij haakt Florida aan bij de stadssociologe en activiste Jane Jacobs die vooral bekend geworden door haar pleidooien voor gemengde buurten en door acties tegen de aanleg van snelwegen door woonbuurten” (zie ook: KEI)

Waarom kunnen we volgens jou deze theorie niet een-op-een toepassen op de Nederlandse steden?
“Belangrijk om op te merken is dat deze analyse is gebaseerd op de Amerikaanse situatie. Florida baseert zijn onderzoek vooral op stedelijke werkgelegenheidcijfers. In de Amerikaanse situatie werkt de creatieve klasse waar zij woont. Dit is op grond van schaalniveau goed te verklaren. Amerikaanse agglomeraties zijn van een dusdanig grote schaal en steden liggen op een dusdanig grote afstand van elkaar, dat men in de Verenigde Staten al snel in de stad werkt waar zij woont. In de Nederlandse situatie is dit echter anders. Agglomeraties zijn veel minder groot en de afstanden tussen steden zijn dermate klein, dat arbeidspendel tussen verschillende steden vaak voorkomt, ook binnen de creatieve klasse.. Hierdoor kun je de definities van Florida moeilijk toepassen op de Nederlandse situatie. De creatieve klasse valt in Nederland eigenlijk uiteen in drie groepen: 1) de creatieve klasse die in de stad woont en werkt; 2) de creatieve klasse die in de stad woont, maar elders werkt en 3) de creatieve klasse die alleen in de stad werkt, maar elders woont.”

Welke van deze drie groepen kunnen we beschouwen als de ‘ echte’ creatieve klasse?
“Uit onderzoek dat ik heb verricht afgelopen jaar heb verricht in het kader van mijn studie economische geografie blijkt dat voor de Nederlandse situatie geldt dat de in een stad woonachtige èn werkzame creatieve klasse het beste aansluit bij de creatieve klasse zoals omschreven door Richard Florida. De andere groepen blijken nauwelijks of niet met het verhaal van Florida overeen te komen en dragen amper bij aan het verbeteren van ‘de creatieve stad’. Een Nederlandse creatieve stad blijkt dus een stuk minder creatief te zijn, dan tot nu toe door velen is aangenomen. Het scheelt bijna de helft. Kenmerkende eigenschappen voor deze werkelijke creatieve klasse zijn, dat deze groep bestaat uit hoogopgeleide tweeverdieners, met een gemiddeld tot hoog inkomen. Zij hechten veel waarde aan een goede sfeer in de stad en een goed cultureel aanbod. Kortom Dinkies (Double Income No Kids) of Yuppies (Young Urban Professionals) zoals deze groepen in de jaren tachtig werden genoemd.”

Oude wijn in nieuwe zakken dus…
“Dit blijkt toch net iets anders te liggen. Waar dinkies of yuppies zoals deze eind vorige week opdoken zich kenmerkten door een hoge mate van intolerantie, kenmerkt deze groep zich door een hoge mate van tolerantie. Deze eigenschap sterkt het verhaal van Florida. De groep wonend en werkend in een stad, in tegenstelling tot de groepen alleen werkzaam in de stad of alleen woonachtig in de stad, hechten aan alle vormen van tolerantie zeer veel belang. Deze vormen van tolerantie variëren van openheid naar nieuwkomers tot openheid naar cultuur of integratie van de lokale bevolking.”

Maar hoe groot is de economische bijdrage van de creatieve klasse aan de stad nu werkelijk?
“De bijdrage van de creatieve klasse aan de economische groei van de stad is moeilijk te bepalen en waarschijnlijk beperkt. Ondanks dat de bijdragen van de creatieve klasse moeilijk te bepalen is, wil Utrecht deze klasse graag voor de stad behouden. Steden fungeren in de arbeids- en wooncarrière van inwoners als een roltrap: Als men jong is en nog onderaan de maatschappelijke ladder staat, stapt men onderaan de roltrap in en woont men in goedkopere woningen in de stad. Naar mate men ouder wordt, gaat men meer verdienen, luxer wonen en stapt men uiteindelijk van de stedelijke roltrap af, om in randgemeenten te gaan wonen. Maar het huisvestingspatroon van de creatieve klasse wijkt hier vanaf: Een deel van hen blijft in de stad blijven wonen. Bij deze groep is sprake van een verlenging van de roltrap. En van de kenmerken van de groep die van de roltrap afstapt en verhuisd blijft de stad in het gebruik van voorzieningen een centrale rol spelen. Dit is voor de economie van de stad Utrecht natuurlijk erg aantrekkelijk.”

Utrecht wil dus graag de creatieve klasse voor de stad behouden…
“De hype is over, de mythe is voorbij maar voor de promotie van de stad is het natuurlijk een prachtige marketingtool. Daarnaast draagt de èchte creatieve klasse op een zeer goede manier bij aan de stad. Zij zijn hoogopgeleid, verdienen goed en hechten veel belang aan diversiteit en tolerantie, in de breedste zin van het woord. Als ze ouder worden verhuizen ze naar de randgemeenten, waar zij deze voorkeur voor tolerantie houden, waarna in de stad hun plek weer door jongeren wordt overgenomen. Reden om deze groep beter te benutten en voorop te laten lopen in het maatschappelijke debat over integratie en diversiteit. Zodat de mythe van een creatieve, tolerante en diverse stad uiteindelijk toch waar blijkt te zijn.”

Foto boven: voormalig kantoor Sociale Zaken van de gemeente Utrecht dat nu wordt gebruikt als ‘broedplaats’ (foto: Willem Mes)

Richard Florida – The Flight of the Creative Class

Creatieve stadJane JacobsRichard FloridautrechtVerenigde Staten

Jeroen Niemans

Over de auteur

Jeroen Niemans is adviseur bij Hiemstra en De Vries.



Ook interessant:

Maak bedrijventerreinen klaar voor de (circulaire) toekomst

Cees-Jan Pen

Werklandschappen als speeltuin van de toekomst

Ana Luisa Moura

Springplank voor een betere stad

Anne Seghers